Autobiografisch

Mijn debuut als werkloze maakte ik direct na mijn afstuderen. Het was 1985, ik hoopte de wereld te winnen met een doctoraalbul Sociologie. Maar die wereld gaf geen sjoege. Het voert te ver daarover uit te wijden. Voor ik het weet, verbergt u een verveelde gaap achter een meer of minder behaarde hand, en dat is de eer van een columnist te na. Laat ik alleen zeggen dat een kleine dertig jaar later de cirkel rond is. Werkloos aan het begin van mijn carrière, ben ik dat aan het eind ervan – de pensionadoleeftijd bevindt zich binnen gehoorafstand – opnieuw: mijn baas, het Geldmuseum, heeft mij wegbezuinigd.

Dit citaat komt uit de column ‘Winnaars en verliezers’, die op 23 maart 2012 verscheen op genoeg.nl. Ik zocht dat stukje op omdat ik wilde weten wanneer precies ik ZZP’er ben geworden. ‘Winnaars en verliezers’ moet de eerste column zijn geweest die ik als uitbater van een eenmanszaak schreef. In die hoedanigheid zond ik meer columns de wereld in. Kruimelwerk, verzeker ik u, dat te weinig opbracht om zonder uitkering het hoofd boven water te houden. Die eenmanszaak van mij, kunnen we rustig stellen, was een mislukking. Maar ik heb het geprobeerd. Zielig is het dus niet, hoogstens tragisch.

Toch was het niet alleen kruimelwerk dat op mijn ZZP-pad kwam: één grote opdracht sleepte ik in 2012 wel in de wacht, waarmee ik overigens evenmin mijn eenmanszaak van de ondergang kon redden. Het Zeeuws Tijdschrift vroeg me een serie artikelen te schrijven ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van de Zeeuwse Boekenprijs. Al die ‘stukjes en brokken’ zijn online te lezen. Eén daarvan, ‘De purperen hofhouding. Zeeuwse Boekenprijs 2003-2012’, begint autobiografisch. Ik neem dat begin hier integraal over. Weer een zelfcitaat dus, maar van een carrière die daarmee geschaad zou kunnen worden, is in de verste verte geen sprake meer.

Buitenstaander

Mijn opa — nergens vond je iemand zoals hij — bezat De ramp. Het fotoboek ten bate van het Nationaal Rampenfonds. Eind jaren vijftig kon ik hem niet bezoeken of het kwam van de plank. Op het jongetje dat ik toen was maakte het diepe indruk. Hij vertelde er steevast een verhaal bij: ‘In die nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 hield de storm ook huis in de kop van Noord-Holland. Dat werkmanshuisje van jullie, hier vlakbij, stond pal op de wind en liep enorme schade op.’

Stroeterdijkje, Sint-Maarten (West-Friesland, Noord-Holland). Werkmanshuisjes, twee onder één kap. Het gezin Borst woonde begin jaren vijftig aan de linkerkant. (Foto collectie GerardNBorst)

Zeeland was dus al vroeg in mijn leven. Maar ik moet bekennen dat mijn Zeeland-gehalte in later jaren nauwelijks is gegroeid. Op de lagere school keken we naar een film van de Stichting NOF over de Deltawerken. Films van deze stichting stonden geregeld op het programma. We maakten langs deze weg ook kennis met de fabricage van strokarton in Oude Pekela en glasblazen in Leerdam.

Een heel klein beetje Zeeland kwam erbij op de middelbare school. In het examenjaar las de leraar Nederlands De uitvreter van Nescio voor, het verhaal over Japi, die in Veere aan de waterkant zit, met niets anders bezig dan met ‘versterven’. Na middelbare school en universiteit was een bedrijfsuitje naar Middelburg het enige wapenfeit. Alles wat ik aan Zeeland-historie heb, is hiermee genoemd. Ik wil maar zeggen: mijn bijdragen aan deze special van het Zeeuws Tijdschrift zijn stukjes en brokken van een buitenstaander. Enfin, afstand scherpt de blik, zeiden de ouden.

Meer autobiografie is te vinden in online-stukken van mijn hand.