Mona Lisa heeft Sara gezien

Op de hbs wilde ik graag bij de populaire jongens horen. Daarbij had ik een handicap. Een beslissende factor in de strijd om populariteit was het al dan niet afkomstig zijn uit Schagen, het stadje waar mijn hbs was gevestigd. De stedelingen lagen op kop, de leerlingen die van het omliggende platteland kwamen, de dorpelingen, hadden een achterstand. Een van die dorpelingen was ik; mijn woonplaats was Dirkshorn, waar mijn vader in brandstoffen handelde.

De jeugdmode van 1963 schreef een zwarte coltrui voor en als schoeisel waren Zweedse muilen favoriet. Ik zeurde net zo lang bij mijn moeder, die natuurlijk moest aankloppen bij mijn vader, de financier, tot deze kledingstukken ook voor mij werden aangeschaft. Het eerste schooljaar was toen nog maar net begonnen.

1963-’64, hbs-leerling, eerste klas.

Mijn achterstand trad onmiddellijk ook op taalgebied aan de dag. Van huis uit sprak ik plat West-Fries. Op de lagere school had het onderwijzend personeel jammerlijk gefaald in zijn pogingen dit dialect eronder te krijgen. Na een vernederende confrontatie met een van de leraren, waarbij tot hilariteit van de Schager elite in de klas de uitdrukking ‘boers taaltje’ viel, zette ik alles op alles om een ABN-spreker te worden.

Zelden zonder strijd met mijn vader — mijn moeder liet zich minder gelegen liggen aan dorpse middenstandsgevoeligheden; zij vond het allemaal best —, probeerde ik mij ook na die eerste tijd ‘hip’ te kleden en mijn moedertaal had ik dus afgezworen. Hoeveel dit ook hielp, tot mijn doorbraak op school leidde het niet.

In 1966 leerde ik drummen. Een drumstel had ik eerst niet, ik oefende door met breinaalden van mijn moeder op tafel mee te slaan met vaardige drummers op via Radio Veronica beluisterde Top 40-hits. Dit was bevredigend voor zolang het duurde. Een nieuwe uitdaging werd een eigen drumstel te bespelen. Ik tikte een tweedehandsje op de kop waarvoor ik mijn spaarcenten van de bank haalde, geld dat ik had overgehouden van in grote vakanties verrichte landarbeid. Ook ging ik op les. Al met al was ik zomer 1966 klaar voor een grote stap: ik trad toe tot de Schager beatgroep Clus. Deze band had enig regionaal succes.

Beatgroep Clus, 1967. Gerard Borst, Hans Witkamp, Jaap Bart, Peter Smit, Auk Bremer.

Tegen mijn lidmaatschap van die beatgroep als zodanig had mijn vader niets; hij had geholpen bij de financiering van het drumstel — mijn spaarsaldo was onvoldoende geweest voor de aankoop — en begreep dat een drummer zonder band weinig voorstelde. Minder te spreken was hij over mijn ermee gepaard gaande wens lang haar te hebben. In zijn verzet daartegen stond hij niet alleen. De hbs-directie kon er ook wat van. Op straffe van schorsing kregen leerlingen met te lang haar het bevel naar de kapper te gaan. Dit mag heftig klinken, het was wel hoe het was.

Beatmuziek was mijn vehikel voor emancipatie. Door mijn activiteiten in en rond de band hield ik welbeschouwd op Dirkshorner te zijn en werd ik Schagenaar onder de Schagenaren. Op school rees mijn ster, wat bijvoorbeeld tot uitdrukking kwam in een grotere belangstelling van de meisjes.

Hoewel het muzikant-zijn ten koste ging van de leerprestaties, werkte ik nog wel zo hard voor school dat ik mij in 1969-1970 kon voorbereiden op het eindexamen. Mijn hbs was, na een fusie met de plaatselijke mulo, inmiddels omgezet in een scholengemeenschap. Tegelijk met deze organisatorische verandering was er iets veranderd in de mentaliteit. Door de voordien muffe ‘jaren vijftig-krochten’ van de school was een frisse ‘jaren zestig-wind’ gaan waaien, waarin onze lange haren nu ongehinderd mochten blijven wapperen. Mijn vader had er zo langzamerhand ook vrede mee.

In die tijd drumde ik bij Turquoise, mijn eerste band die acteerde op nationaal niveau. Turquoise had zijn thuisbasis in Bergen, waar ik mij liet imponeren door de artistieke bohème. Er kwam een single die flopte.

Turquoise, 1969. Emile den Tex, Thé Lau, Gerard Borst, Jan Piet den Tex.

Na mijn eindexamen, met gunstig gevolg afgelegd, studeerde ik Nederlandse taal- en letterkunde in Amsterdam. Zodra ik de kans kreeg beroepsmuzikant te worden, gaf ik die studie op. December 1970 was het zover. De broers Arti en Frank Kraaijeveld, oprichters van The Bintangs, kruisten mijn pad. De lieve collega’s bij The Bintangs hadden de twee stamvaders weggebonjourd en die vroegen mij voor hun nieuwe band, de Beverwijkse rockgroep Kraaijeveld.

Kraaijeveld, 1971. Arti Kraaijeveld, Frank Kraaijeveld, Gerard Borst, Hein Brandjes.

Begin maart daaropvolgend nam Kraaijeveld de single ‘Mona Lisa’ op, enkele maanden later een bescheiden Top 40-hit. De zomer van 1971 heeft zich in mijn geheugen vastgezet als de zomer van Mona Lisa.

Vijftig jaar geleden: Mona Lisa heeft Sara gezien.

De drummer, vijftig jaar na dato. Foto en ontwerp T-shirt: Saskia Borst- de Jong.

‘Mona Lisa’ is ook hier te beluisteren.

Een reeks beelden uit mijn drummersleven vindt u op Discogs.

Mijn lectuur in deze jubileumzomer (onder meer): Nescio, Natuurdagboek; ed. Lieneke Frerichs (Amsterdam 1996):

Aantekening 13 augustus 1954 (p.370): ‘Vrijdag. Zomer. ’s Morgens […] in het auto’tje naar Schagen (den polder door en dan langs het kanaal). Tegen half 11 weg. Zon en witte wolken en blinken van den weg. Schagen leelijk. Veel kroegen om de kerk (minstens 13). Het “oude slot” (twee alleenstaande torentjes). Bij het uitrijden van Schagen 9 zwanen gezien die in optocht zwommen, achter elkaar: moeder, 7 bijna volwassenen, nog een ietsje grauwe jongen en vader met uitgezette vleugels.’

Aantekening 25 juli 1947 (p. 41-42): ‘Vrijdag. Trein 10 uur 12 naar Alkmaar en Bergen-binnen. Rustende Jager. Gewandeld naar Bergen aan zee. Zeer vol strand, gladde wazige zee, niets mee te beginnen. Met het treintje van half 3 terug naar Bergen-binnen. Kopjes koffie bij de “Oude Prins”, heel mooi gezicht op kerk en ruïne door de boomen. 3 uur 46 treintje naar Alkmaar, 5 uur C.S. Hevige regenbui op het stationsplein. Bergen-binnen urbain oord, 2 gezellige kroegen, mooi geboomte, lanen en laantjes, halve garen en zelfs naar mij leek een goeie boekwinkel en (voor buiten het seizoen) een enkele maal de zee.’

Aantekening 3 april 1951 (p. 151): ‘Dinsdagochtend. […] trein 9.33 C.S. naar Beverwijk en bus Wijk aan Zee […] Veel lammetjes aan de lijn naar Haarlem. Prachtige donkere geboomten langs de duinen met hier en daar een goudwilg. 1 heele groote ergens voor het duin op zij van Overveen ongeveer. Sluiergewolkte met dan in eens weer zon, vrij aardig lente, kort zicht. Beperkte, rustige bleeke zee, toch met twee streepen witte koppen. Pier en vuurtoren van IJmuiden nauweliks te zien. “Hoogovens”. Een leeuwerik in de lucht fladderend zien staan en misschien ook even gehoord. Mooie overgang over het Noordzeekanaal, vooral teruggaand. Ruim 2 uur thuis.’

Dagboekaantekeningen Nescio toegevoegd op 10 en 15 augustus 2021.