Een restje geldcolumns

In de periode 2008-2013 legde ik me toe op het schrijven van columns over geld. Aanvankelijk vulde ik hiermee een deel van mijn tijd in opdracht van mijn werkgever, het Geldmuseum, later, na mijn guillotinering door de instelling (2012), als uitbater van een eenmansbedrijf. Alles bijeen heb ik er zo’n zeventig aan de tekstverwerker toevertrouwd. Is dit genoeg voor de rechtvaardiging van een bestaan? J.C. Bloem, paradepaard van de Nederlandse poëzie, stelde zich die vraag, verwijzend naar ‘een stuk of wat gedichten’. Als ik hem, met het oog op die columns, aan mezelf stel, ben ik lichtelijk geneigd op z’n Bloems te zeggen: Ach, ‘alles is veel voor wie niet veel verwacht’. Aan het begin van mijn columnistenbestaan schreef ik uitsluitend voor telegraaf.nl/overgeld (tegenwoordig telegraaf.nl/financieel/geld/), aan het eind ook voor genoeg.nl. Een aantal van mijn geldcolumns verwerkte ik in eerdere blogberichten. De vijf die ik hier met u deel, kwamen nog niet aan bod. Bij dezen.

29 februari 2012, genoeg.nl: Karel van het Reve, Charles Dickens

Karel van het Reve kon Dostojevski niet lezen. Hij verafschuwde de krankzinnigheid van diens helden. We danken hieraan de mooiste zin uit de Nederlandse literatuur (met afstand): ‘Als ik uit betrouwbare bron zou vernemen dat ik vandaag kans loop een van de gebroeders Karamazov op straat tegen te komen, zou ik de hele dag binnenblijven.’ Van het Reve noteerde dit in een essay waarin hij zichzelf uitriep tot ‘secretaris van de anti-Dostojevski-club’. 

Ik wil ook een anti-club, maar dan met Charles Dickens als kop van Jut. Dickens is mij tegen gemaakt op de middelbare school. De leraar Engels wilde mij en mijn klasgenoten winnen voor de literatuur, maar schoot zijn doel voorbij door David Copperfield verplicht te stellen. Dickens meed ik verder als de pest. 

2012 – het zal u niet zijn ontgaan – is een Dickens-jubeljaar. Een uitgelezen moment om mijn anti-Dickens-club op te richten. ‘Je bent niet wijs’, protesteerde mijn vrouw, een verklaard Dickens-liefhebber. ‘Probeer het nu eerst eens met die dvd’s.’ Zij doelde op de verzamelbox Charles Dickens: zijn mooiste meesterwerken, een sinterklaascadeau van de kinderen. ‘Allemachtig,’ sputterde ik tegen, ‘dat zijn elf meesterwerken op twintig dvd’s.’ ‘Nee,’ reageerde ze, ‘beperk je maar tot David Copperfield.’ Zo kwam ik er genadig af. 

Twee dvd’s, een speelduur van ruim vier uur, toch nog een hele zit, maar het verhaal, een BBC-bewerking uit 1986, kan er ruimschoots mee door. Een samenvatting lijkt me overbodig. Laat ik alleen zeggen dat de acteur Simon Callow in deze bewerking de show steelt. Hij zet een prachtige Wilkins Micawber neer. Deze Micawber, een eeuwig door schuldeisers belaagde ex-handelsreiziger, verschaft David onderdak in een minder gelukkige fase van diens leven. Micawber maakt David deelgenoot van zijn levensvisie:

Jaarlijks inkomen: twintig pond. Jaarlijkse uitgaven: negentien en sixpence. Resultaat? Geluk. Jaarlijks inkomen: twintig pond. Jaarlijkse uitgaven: twintig pond en sixpence. Resultaat: ellende. Het blad verdort, de bloesem verwelkt. Je komt, kortom, altijd te kort.

De schulden brengen Micawber in de gevangenis. Gesteund door zijn vrouw, die in zijn talenten blijft geloven, houdt hij echter goede moed.

Dit wordt geschreven op schrikkeldag. Volgens een berekening van het Nibud leveren gezinnen door deze dag gemiddeld veertien euro in. Een kleine strop voor de ‘micawbers’ van deze tijd. Enfin, ze worden niet meer in de gevangenis gestopt; er is alle reden om de moed erin te houden. Zeker als hun vrouwen in hun talenten blijven geloven. Zoals mijn vrouw dit doet in de mijne. Zij kan tevreden zijn. Die BBC-dvd’s hebben mijn honger opgewekt naar Dickens’ oeuvre in onversneden vorm. Het plan voor een anti-Dickens-club verdwijnt in de la.


23 maart 2012, genoeg.nl: Frank Furedi, Trudy Dehue

Mijn debuut als werkloze maakte ik direct na mijn afstuderen. Het was 1985, ik hoopte de wereld te winnen met een doctoraalbul sociologie. Maar die wereld gaf geen sjoege, een baan als socioloog kreeg ik niet. Nu, een kleine dertig jaar later, is de cirkel rond. Werkloos aan het begin van mijn carrière, ben ik het aan het eind ervan – de pensionadoleeftijd bevindt zich binnen gehoorafstand – opnieuw: mijn werkgever, het Geldmuseum, heeft mij wegbezuinigd.

‘Daar zit ik dan, ik arme donder van een vent.’ Wat krijgen we nou? Arme donder? ‘Daar heb je weer zo’n loser’, hoor ik u denken. ‘Zo’n kleinzieligerd die zich ontslaat van eigen verantwoordelijkheid, die weigert zijn lot in eigen hand te nemen. Zo’n van ondernemingslust verstoken tobber. Zo’n mens die als de dood is om te leven. Geluk is plicht. Het komt aan op daden. Wees onafhankelijk, wees vrij! Zoals het een goed neoliberaal burger betaamt!’

Denkt u werkelijk zo, dan bent u een geestverwant van de Britse socioloog Frank Furedi. Furedi schreef het boek Therapy culture (2004), een aanklacht tegen de verzorgingsstaat die mensen te zeer als kasplantjes behandelt. Volgens Furedi is onze maatschappij verworden tot één grote behandelkamer. ‘Bibberend van angst voor problemen waarop we eventueel kans lopen, zetten we onszelf klem in een cultuur van emoties, die de ondernemingslust verlamt evenals het plezier in het bestaan.’

De laatste zin staat tussen aanhalingstekens, omdat ik hem overschrijf uit Trudy Dehue’s prachtige studie De depressie-epidemie (2008). Dehue typeert Furedi als een denker die bang is dat ‘het verlichte, humanistische concept van de burger als autonome, vrijdenkende, verantwoordelijke en voor zichzelf zorgende mens als sneeuw voor de zon verdwijnt’.

Allemaal de schuld van de verzorgingsstaat. Dehue schaart zich niet aan Furedi’s kant. Om haar visie goed voor het voetlicht te krijgen, moet ik eerst aangeven waarover De depressie-epidemie precies gaat. Met Nederland, zegt Dehue, is iets merkwaardigs aan de hand.  Het is een welvarend, vrij en veilig land, dat van wetenschappelijke onderzoekers van het geluk steevast een dikke voldoende krijgt. Maar tegelijk schiet het aantal gebruikte antidepressiva in de vorm van pillen, therapieën en zelfhulpboeken door het plafond.

Dehue gaat na waar de crux zit. Heeft de verzorgingsstaat massale kleinzerigheid gebracht? Daar wil de auteur niet van weten. Zij wijst denkers als Furedi terecht door erop te wijzen dat de depressie-epidemie pas opkwam toen de verzorgingsstaat in zijn oude vorm aan het verdwijnen was. We zijn meer en meer in neoliberale richting opgeschoven. We zijn toegegroeid naar een maatschappij die voornamelijk is gericht op competie, een concurrentiemaatschappij waarin overheden, hulpverleners en uiteindelijk wij allemaal elkaar de plicht voorhouden het lot in eigen hand te nemen.

De neoliberale concurrentiemaatschappij kan alleen bestaan bij de gratie van verliezers. Zij laat mensen vallen met het argument dat ze onvoldoende aan het management van hun eigen risico’s hebben gedaan. Zij ondermijnt het gevoel van eigenwaarde van veel mensen, ontzegt hun het respect van anderen en dus van zichzelf.

Wie in de neoliberale samenleving niet tegen de concurrentie is opgewassen, gaat zichzelf zien als probleemgeval en versombert. Ben ik al zo ver dat ik naar de antidepressiva grijp, nu ik op de arbeidsmarkt onderuit ben gegaan? Ach, jaren geleden al weer las ik Aldous Huxley. In zijn roman Brave new world (1932) treedt de figuur ‘John the Savage’ op, een man naar mijn hart, die de plicht om gelukkig te worden aan zijn laars lapt. Mensen, zegt hij, hebben het volste recht om ongelukkig te zijn.

Foto bij mijn column op genoeg.nl.

20 juli 2012, telegraaf.nl: Ewoud Jansen, Alexander Hamilton

De Europese crisis is niet uniek. Ruim twee eeuwen geleden verkeerden de Verenigde Staten in een vergelijkbare situatie. Alexander Hamilton, de eerste VS-minister van Financiën, beleefde zijn ‘finest hour’.

Vakantietijd, komkommertijd – tijd om te grasduinen in mijn particuliere krantenbank (niet-digitaal). Wat heb ik het afgelopen halfjaar zoal in de knipseldoos gestopt voor later gebruik? Ik stort de doos leeg op de vloer van mijn werkzolder. Eén knipsel dwarrelt weg door het trapgat naar beneden. Dat moet ik hebben: wat je van ver haalt is lekker.

Het is een artikel van de econoom Ewoud Jansen (eerder nooit van gehoord; niet over tobben, ik ken er zoveel niet). Jansen blikt vooruit op de verkiezingen van 12 september. Op wie moeten we stemmen? Volgens hem is dat om het even, althans wat betreft het allerbelangrijkste dossier, de Europese integratie. ‘Wie er ook in het torentje komt te zitten,’ schrijft hij, ‘de Europese trein zal omslachtig maar onverminderd voortgaan richting bankenunie, begrotingsunie en politieke unie.’

De verdere Europese integratie staat in mijn knipsels in het centrum van de aandacht. Opnieuw geboeid sla ik aan het herlezen. Het meest spreken de stukken mij aan waarin een ferme duik wordt genomen in de geschiedenis – de Amerikaanse geschiedenis, om precies te zijn.

De Europese crisis is niet uniek. Ruim twee eeuwen geleden verkeerde Amerika in een vergelijkbare situatie.

We schrijven 1783. De Vrede van Parijs bezegelde het einde van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog tegen Groot-Brittannië. De (toen nog) dertien staten smaakten het zoet van de overwinning. Maar er was ook een zuur dat aan de piepjonge VS vrat. Er waren enorme schulden opgebouwd. Aflossingsproblemen namen bij schuldeisers het vertrouwen weg. Gevolg: een forse stijging van de herfinancieringsrente.

In 1789 werd Alexander Hamilton benoemd tot de eerste VS-minister van Financiën. Hamilton, een van de ‘founding fathers’ van de VS, was een vooruitstrevend man met grote gaven. Hij zette alles op alles om de VS uit de misère te helpen.

Er was, besefte Hamilton, voor de jonge natie niets ergers dan de naam te hebben wanbetaler te zijn. Het ging ten koste van de geloofwaardigheid. Hamilton wees een uitweg. De federale overheid moest de schulden van de deelstaten overnemen. Tegelijkertijd zou die overheid meer budgettaire macht krijgen.

Tegen Hamiltons plan rees verzet. Anders dan bijvoorbeeld Massachusetts had de deelstaat Virginia zijn financiële zaken op orde. Virginia hoefde dus niet geholpen te worden, maar moest wel macht afstaan. Dat ging de deelstaat aanvankelijk te ver. Een speciale deal deed het verzet verstommen.

Zo mocht  Hamilton zijn ‘finest hour’ beleven en werden de VS de begrotingsunie die zij nog steeds zijn. In Europa zal het er ook van komen. De ‘Europese trein’ (zie boven) dendert onherroepelijk die richting uit. Op de rails liggen obstakels, maar te stoppen is de trein niet. Enfin, de knipsels gaan de doos weer in, de vakantie kan beginnen. Nu pas echt.


4 september 2012, telegraaf.nl: Franco Modigliani, Heleen Mees

Een recent proefschrift legt een verband tussen de excessieve Chinese spaardrift en het ontstaan van de kredietcrisis.

‘Sparen adelt de mens’, zeiden ze vroeger. Zou het waar zijn? Word je van sparen een beter mens? Zo ja, dan dringt de vraag zich op wat voor mensen er wel niet in China wonen, want daar sparen ze ongekend veel. Chinese consumenten zetten zo’n 27 procent van het beschikbare inkomen op de bank. Hoe valt die Chinese spaardrift te verklaren? Iemand die zich hierover het hoofd heeft gebroken, is de econoom Franco Modigliani. Modigliani – inmiddels al niet meer onder de levenden – is de auteur van een beroemd geworden artikel over sparen in China in de periode 1953-2000.

Speciale aandacht in het artikel heeft het thema ‘Mao Zedong en de Chinese bevolkingsgroei’. Tot het eind van de jaren zestig, aldus de auteur, bekommerde Mao zich weinig om die bevolkingsgroei. Een tijdlang werden ouderparen zelfs gestimuleerd niet om minder maar om meer kinderen te krijgen. Kort na 1970 veranderde het overheidsbeleid op dit punt echter drastisch. Hoe kon de welstand van de Chinezen worden bevorderd? Het antwoord van de machthebbers luidde steeds vaker: mede door beteugeling van de bevolkingsgroei. Een nieuwe politiek ontplooide zich. Het aantal kinderen per ouderpaar mocht een bepaald maximum voortaan niet meer overschrijden. In de steden was per ouderpaar zelfs nog maar één kind toegestaan.

Na 1980 gingen de Chinezen als razenden sparen. Hoe kwam dat? Modigliani wijst om te beginnen op de overheidsmaatregelen die China’s staatsgeleide planeconomie omvormden tot een min of meer functionerende markteconomie. Een structurele inkomensgroei was het gevolg. De Chinezen kregen daardoor meer ruimte om te sparen. Maar daarnaast ziet Modigliani nadrukkelijk ook een samenhang met de Chinese politiek van geboortebeperking.

Het is in China’s culturele traditie verankerd dat jongeren hun oudere familileden onderhouden als die niet meer werken. Kinderen zijn dus het ouderdomspensioen. Het komt eropaan te procreëren: hoe meer kinderen des te groter de pensioenzekerheid.

Door de politiek van geboortebeperking viel een deel van die zekerheid weg. Om te kunnen blijven rekenen op een verzorgde oude dag moesten de Chinezen volgens Modigliani wel meer gaan sparen.

Zoals gezegd: Modigliani behandelt de periode 1953-2000. De jaren daarna komen aan bod in het recente proefschrift van econome Heleen Mees. Over dat proefschrift, waarin de Chinese spaardrift wordt aangewezen als medeveroorzaker van de kredietcrisis, kwam Mees in diverse kranten aan het woord. Na 2000 spaarden niet alleen Chinese consumenten ongekend veel, aldus de econome, ook Chinese bedrijven potten hun geld in extreme mate op. Het leidde tot een wereldwijde rentedaling, met als gevolg een groot aanbod van goedkoop geld. Dat veroorzaakte de enorme zeepbel op de Amerikaanse huizenmarkt die de kredietcrisis inluidde.


20 september 2012, genoeg.nl: Gerrit Komrij, Pieter Langendijk

Gerrit Komrij (Winterswijk, 30 maart 1944–Amsterdam, 5 juli 2012) voorzag zijn bloemlezingen van prachtige inleidingen. Voor Het geld dat spant de Kroon, een verzameling geldgedichten die hij eind jaren tachtig bijeenbracht voor F. van Lanschot Bankiers NV, maakte hij geen uitzondering. Althans, zo heb ik het in mijn herinnering. Komrij is op de kop af twee maanden ‘pleite’, zoals collega-dichter Jules Deelder het uitdrukte – een uitgelezen moment om de proef op de som te nemen. Zorgde de Nederlands kampioen bloemlezen, als hij poëzie ‘sprokkelde’ in opdracht van het grootkapitaal, ook voor topkwaliteit?

De openingsalinea zadelt me op met een vraag. Waar is die Komrij-bundel gebleven? Ik ga naar de boekenkast beneden. Die kast is wanordelijk. Waarom in godsnaam? Was ik, voordat ik geldonderzoeker werd bij een museum, niet een voorbeeldig bibliothecaris? Waarom dan in mijn eigen boekenkast die wanorde? Terwijl ik zoek, komt een gedachtenstroom op gang. Ach, bibliothecaris… een beroep aan het eind van een van mijn vluchtwegen… als catalogusbouwer koesterde ik de geborgenheid van een kunstmatige wereld waaruit alle chaos was verbannen… een leven bij de gratie van onomstotelijke regelwerken.

Pffft… mijn grasduinen in de kast heeft succes. Ik moet ervoor op de knieën, maar de door Komrij gebloemleesde ‘pecuniaire’ gedichten komen tevoorschijn.

In mijn werkkamer vindt de hernieuwde kennismaking plaats met een briljante inleiding. Briljant, natuurlijk, Komrij was dat aan zijn stand verplicht. De verleiding is groot om lekker uit die inleiding te gaan citeren. Maar ik wil toe naar de poëzie zelf, en beperk me tot Komrij’s constatering dat ‘het nooit erg heeft willen boteren tussen geld en poëzie’ en dat ‘als we de dichters moeten geloven iets alledaags en vulgairs als geld ze maar zelden in gedachten schiet’.

De spoeling is dun, wilde Komrij maar zeggen. Met wat hij toch nog vond, liet zich evenwel een fraaie bundel samenstellen, die zich qua omvang niet hoefde te schamen. Het hoogtepunt is het vers ‘Geld’ van Pieter Langendijk (1683-1756). Ziehier de openingsstrofe uit dit vers:

‘k Placht weleer zo zot te wezen,

Schoon ik vrij veel heb gelezen,

Dat de waereld hing aaneen,

Van atomen groot en kleen,

Deeltjes rond of scherp van hoeken

Die gestaag malkander zoeken,

Maar ‘k zie nu ’t is mis gesteld,

Want zij hangt aaneen van geld.

‘De waereld hangt aaneen van geld’ – eeuwen geleden had men het al begrepen.


Autobiografische aantekening: 2011 was mijn laatste jaar bij het Geldmuseum. Hoewel het draagvlak voor mijn baan toen al zo dun was als één nacht ijs, vond ik zelf dat ik wel mooie dingen deed voor de instelling. Zo gaf ik tegen het eind van dat jaar een historisch-sociologisch hoorcollege voor studenten van de Universiteit Utrecht. De tekst van dit college wil ik hier met u delen. Mijn activiteit versterkte het draagvlak voor mijn baan niet; begin 2012 werd ik wegbezuinigd. Daarna hield de ontslagvergoeding de deurwaarder op afstand.