In de grondverf

In het jaar dat ik 17 werd, werd mijn opa van vaderskant 71. Op zijn verjaardag en ook op latere familiepartijtjes dat jaar (1968) was deze coïncidentie aanleiding tot vermaak.

Opa Klaas Borst was veehouder en kolenboer in Groenveld, een buurtschap in de kop van Noord-Holland. Tot zijn dood in 1970 woonde hij in de boerderij die is te zien op de uitgelichte afbeelding. (De foto is van juni 1964, genomen op de dag dat hij en mijn oma hun veertigjarig huwelijksjubileum vierden.)

Zijn oudste zoon Piet en oudste schoondochter Dieuw woonden sinds februari 1954 in het op drie kilometer afstand van Groenveld gelegen dorp Dirkshorn. Zij waren mijn ouders. Ik had (en heb nog) een oudere zus, Ria. In Dirkshorn — vader Piet was er kolenboer; hij had de kneepjes van het vak van zijn vader afgekeken — groeide ik op. Ook al was dat tot mijn genoegen, op mijn 17de rijpte toch het gevoel ‘Ik moet wegwezen’. Maar ik kon daaraan voorlopig nog geen gevolg geven.

Groenveld, jaren dertig. Klaas Borst spreekt een buurtgenote aan. Bron afbeelding: https://bit.ly/2xJuGjQ

Mijn zus heet voluit Maria Alida en ook ik heb officieel twee voornamen, Gerardus Nicolaas. Dit klinkt katholiekerig, hoor ik de lezer denken. De lezer heeft gelijk, dus meteen maar een bekentenis: ik ben katholiek gedoopt. Het waken over mijn ziel door katholieke herders was echter van korte duur.

Het zat zo.

Van huis uit was Piet ongelovig. Maar ja, de liefde… Dieuw (voluit: Divera Maria Francisca) was een kind van vroom katholieke ouders.

Zij vielen als een blok voor elkaar vlak na de Tweede Wereldoorlog, die hen, zoals Piet altijd zei toen hij al lang en breed onze vader was, van hun jeugd had beroofd. Een huwelijk kon alleen als Piet katholiek werd. Zo waren de manieren in het verzuilde Nederland.

Piets hart puilde uit en volgens de latere verhalen van een van zijn vrienden uit die tijd liet hij zich makkelijk overhalen. Met een zekere gretigheid ging hij in de leer. Het geloof kreeg hem in de greep en in minder dan geen tijd werd hij een ijveraar — soms tot ergernis van zijn naaste omgeving. Maar voor de man die in 1947 zijn schoonvader zou worden, mijn toekomstige opa van moederskant, kon hij er zo mee door.

Aanvankelijk gaf de roomse kerk naar volle tevredenheid zin en richting aan zijn bestaan, daaraan geen twijfel. Maar spoedig kwam de onvrede opzetten. In later tijden werd duidelijk waarmee hij moet hebben geworsteld. In levensbeschouwelijke gesprekken met zijn puberende zoon waren dit de terugkerende thema’s: het dogma van de onfeilbaarheid van de paus vloekt met de opvatting dat alle mensen zondig zijn; de biecht, het sacrament van boete en verzoening, staat bij katholieken de ontwikkeling van een geweten in de weg; onze manier van leven moeten we verantwoorden in een directe relatie tot de schepper, dus zonder tussenkomst van kerkelijke hotemetoten.

Dit soort dingen hoorde ik van mijn vader zelf. Over zijn worsteling vertelde ook de hierboven al aangestipte jeugdvriend, die ik sprak na mijn vaders overlijden in 1997: ‘Jij zat nog in je eerste levensjaar toen de pastoor op een keer je vaders erf opkwam en hem toevoegde: “Het wordt tijd dat er een nieuw kind komt, ik kan wel op je rekenen, niet?” “Wat?,” riep je vader uit, “drie kinderen; en wie geeft ze te vreten, jij soms?”’

Dat bezoekje van de pastoor moet de spreekwoordelijke druppel zijn geweest. Kort en goed: toen mijn ouders zich met mijn zus en mij een paar jaar later in Dirkshorn vestigden, had mijn vader al met het katholieke genootschap gebroken en zich aangesloten bij de Nederlandse Hervormde Kerk.

Dieuw en Piet Borst. Kermis Dirkshorn, omstreeks 1960. (Collectie GerardNBorst)

In zijn schoonfamilie werd de breuk hem niet in dank afgenomen. Toch bleef de vrede bewaard, al ging het niet zonder strubbelingen. Ze hadden in die schoonfamilie ontzag voor mijn vader, wat ermee te maken had dat hij het in maatschappelijk opzicht relatief goed deed. Hoe andersdenkend hij ook werd, bij zijn schoonouders, zwagers en schoonzuster beklijfde het besef dat hij voor mijn moeder een uitstekende partij was.

Ook mijn moeder kwam op afstand te staan van de roomse kerk; in elk geval sleten bij haar de vormen. Daarmee was het katholicisme voor ons kinderen een verloren zaak. Protestant werden mijn zus en ik evenmin. Mijn moeder redeneerde: ‘Het ene niet — goed. Maar waarom het andere dan wel?’ Hoe dan ook: pogingen ons in dat andere kamp te doen inlijven kon mijn vader tegenover mijn moeder niet verantwoorden. Daarvoor was het weinige dat zij had in te brengen net iets te veel. Zo werden wij onkerkelijk opgevoed. In sommige gevallen kun je je ouders alleen maar dankbaar zijn.

Vermoedelijk kwam het door onze exodus dat de omgang met mijn katholieke opa van moederskant stroef was. Een sterke band met hem kreeg ik nooit. Wel met mijn andere opa, de vrijdenkende Klaas Borst uit Groenveld, bij wie ik me thuis voelde en met wie ik het meer dan goed kon vinden.

Klaas Borst, 1968. (Collectie GerardNBorst)

Eind jaren zestig droeg ik mezelf op iemand te worden in de wereld. Ik vatte het plan op in september 1970 Nederlands te gaan studeren in Amsterdam (toen nog een populaire studie). Aan twee voorwaarden moest worden voldaan: 1. ik moest in maart dat jaar worden afgekeurd voor militaire dienst (in het tegenovergestelde geval zou uitstel onmogelijk zijn) en 2. in mei slagen voor het eindexamen hbs.

Bij de dienstkeuring wendde ik geestelijke labiliteit voor, wat niet eens zoveel moeite kostte. Resultaat: een formulier met het stempel ‘Voorgoed ongeschikt’. Mijn gezagsgetrouwe vader reageerde afkeurend: ‘Je komt nu nooit meer in aanmerking voor een overheidsbetrekking. Die weg is voor eeuwig afgesloten.’ Maar opa Borst kwam, toen hij ervan hoorde, meteen naar ons toe en feliciteerde me: ‘Goed gedaan, jongen!’ (Zelf had hij zijn dienstplicht vervuld tijdens de Eerste Wereldoorlog.)

Klaas Borst vervulde zijn dienstplicht tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Collectie GerardNBorst)

De man die me gelukwenste, was aan zijn laatste maanden bezig. Na een kort ziekbed overleed hij op 25 mei 1970, twee dagen nadat ik in Schagen het Getuigschrift Hogereburgerschool A had opgehaald.

Mijn opa moest zich als vrijdenker staande houden in een gemeenschap die veel gereformeerden telde. Dit ging hem makkelijk af. Hij en mijn oma waren, toen ik als kind bij hen over de vloer kwam, bepaald geliefd in Groenveld. De technologie hielp hen daarbij: anders dan veel andere Groenvelders hadden ze telefoon en ze bezaten al in een vroeg stadium een televisietoestel. Hun huis had De Zoete Inval kunnen heten. Oudere buurtgenoten kwamen er om te bellen en de kinderen en jongeren om tv te kijken. En er werd royaal koffie of limonade met koek geserveerd.

Ze vroegen hem weleens welk geloof híj nu eigenlijk aanhing. Zijn standaardantwoord luidde: ‘Ik sta nog in de grondverf; ik kan nog alle kanten op.’