Gerard Reve: raaf en papegaai

Gerard Reves roman Bezorgde ouders (1988) is een ernstig boek. Het gaat over het lijden van de dichter Hugo Treger, dat tegelijk het lijden is van de hele mensheid. Toch zijn Reves virtuoze formuleringen vaak goed voor een grijns. Mijn favoriete passage laat ik hier volgen. Die passage is lang, maar u doet uzelf tekort als u voortijdig afhaakt.

[Verzameld werk; ed. Nop Maas, dl V, p. 285-286:]

De raaf was één van de slechts twee vogels die door de Kerk officieel als katholieke dieren waren erkend. De raaf omdat hij ‘Cras’ kon roepen, teneinde daarmede de zondaars te vermanen. Meer dan dat ene woord ‘Cras’ kon de vogel niet uitspreken, maar een goed verstaander wist waar hij aan toe was. De gehele zin luidde immers ‘Hodie mihi, cras tibi’, Latijns dus voor ‘Ik krijg jou nog wel’. De andere als katholiek dier erkende vogel was de papegaai, iets wat men niet zo één twee drie zoude verwachten, maar het was omdat hij ‘Ave’ kon zeggen, het eerste woord van het misschien wel belangrijkste gebed dat er bestond.

Je zag ze nooit samen, de raaf en de papegaai, maar dat kwam […] omdat ze, ondanks hun eendracht in het geloof, levensbeschouwelijk erg van elkander verschilden. De raaf was een ‘aandachtige’ vogel, die alles met de diepste ernst beschouwde en de mensen dan ook voortdurend de ernst van hun zondige staat voorhield. De papegaai had, bij al zijn vroomheid, ook oog voor de blijde dingen die er waren, kakelde en schaterde er de gehele dag op los dat het een aard had en hield iedereen op een goedmoedige manier voor de gek door soms, geheel onverwachts, dingen te zeggen waardoor de mensen het uitgilden van de pret.

Wilde men het wezenlijke van elk dezer beide voortreffelijke vogels onder woorden brengen, dan zoude men de raaf, met zijn sobere, bijna rouwdragende kostuum, de Vogel van de Dood kunnen noemen, en de papegaai, in zijn bonte vederpracht die soms veel weg had van een carnavalspak, de Vogel van het Leven. ‘Toch zijn ze één,’ dacht Treger: ‘één in het geloof; één in het getuigenis; één in de waarheid.

De schrijver Gerard Reve: raaf en papegaai ineen.


Zomer 2019 Bezorgde ouders herlezen. Mooie Reve-zinnen tegengekomen. De volgende wil ik met u delen:
P. 17: “Wat hij van boven denkt en wat hij van voren met zichzelf doet, dat moet als het ware beneden, aan de achterkant, gecorrigeerd worden.”
P. 103: “Rondom Kerstmis vindt het christendom onder het pluimvee weinig aanhang.”


Voor het 2015-najaarsnummer van Tijdschrift voor Biografie interviewde ik Reve-biograaf Nop Maas:


Aantekening 22 december 2021: Het is vijfenzeventig jaar geleden dat Frits van Egters in de woonkamer op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66 (‘in onze stad’) om één uur ’s middags plaatsnam op de divan en dacht: ‘We zijn over de helft. De middag is al een uur geleden begonnen. Kostbare tijd, die niet meer te achterhalen is, heb ik vermorst.’

Dag na dag laten we ons De avonden weer voorlezen door de meester zelf.

Aantekening 12, 21 en 24 januari 2022: De avonden herfst 1970 voor het eerst gelezen, als negentienjarige student neerlandistiek. Ik had het benauwende dorp waar ik opgroeide verruild voor de grote wereld van Amsterdam, zonder er helemaal in te slagen van het milieu van mijn jeugd los te komen, hoezeer ik ook vond dat dit moest. Ik was zeer ontvankelijk voor De avonden. In de relatie tot mijn ouders was ik zonder meer een ‘frits-van-egters’; ik herkende mij moeiteloos in de hoofdpersoon van deze ontvoogdingsroman.

In mijn pensionado-jaren De avonden met een zekere regelmaat herlezen. Vaak rondom Kerstmis, zoals het hoort. En het moet gezegd: ik ben, althans aangaande mijn klunzigheden-zonder-erg binnenshuis, meer en meer op de, in de roman gesmade, vader Van Egters gaan lijken. Bij ons thuis hebben we er een vaste uitdrukking voor. Bijvoorbeeld door mijn vrouw gebezigd als ik bij het sorteren van de was in gedachten verzonken het vuile ondergoed in de verkeerde mand gooi; of als ik stuntel bij het terugdoen van de haakjes voor de rail in een pas gewassen gordijn; of als ik nieuwe koffie in het blik doe en het maatschepje op de bodem laat liggen: ‘Hè bah, nee toch, niet weer zo’n “vader-van-egtersje”. Waar zit je verstand?’

[De avonden, hoofdstuk 2, 23 december 1946. Matena-stripuitgave, p. 45. Frits is tegen de avond op de fiets van kantoor naar huis gekomen en praat met zijn moeder, die haar beklag doet over vader Van Egters. Zij zegt: ‘Vandaag heeft die man voor één gulden en zestig cent aan postzegels weggegooid.’ Frits vraagt: ‘Hoe dan?’ Zijn moeder antwoordt: ‘God mag het weten. Vijf van tien heb ik in de vuilnisbak nog terug kunnen vinden. Het is net of die man geen verstand meer heeft. Ik denk, dat hij ze eerst in de prullemand heeft gegooid.’]

[De avonden, hoofdstuk 3, 24 december 1946. Matena-stripuitgave, p. 72. Tijdens het avondeten gaat in huize Van Egters plotseling het licht uit. Er moet een nieuwe elektriciteitsmunt in de meter. Na een mislukte poging (‘Waar moet het in?’) krijgt vader Van Egters het pas voor elkaar als Frits hem aanwijzingen geeft. Frits’ moeder zegt: ‘Dat is nu een intellectueel.’