Over wie niemand anders wil schrijven

Ik vind iemand alleen boeiend als hij over zichzelf schrijft — Maarten Koning (J.J. Voskuil, Het Bureau I [1996] p. 84)

Dag na dag bleef de afwas staan. ’s Nachts werd mijn studentenonderkomen het domein van hongerig ongedierte. Muizen! Een ware lawaaiplaag. Ik deed geen oog meer dicht. De enorme vaat werd na een dikke week weggewerkt, maar het was te laat. Het nachtelijk muizengerucht duurde voort.

Krachtdadig nam ik de bestrijding ter hand. ‘Muizentarwe,’ zei mijn vader door de telefoon, ‘je moet muizentarwe nemen; dat werkt gegarandeerd.’ Bij een weekendbezoek verstrekte hij me het ‘wondermiddel’ (zijn term), dat hij had meegenomen van zijn werk — hij was tuinman op het platteland. De stadse muizen aten het spul, maar eraan doodgaan deden ze niet. ‘Tja meneer,’ zei de man van de gemeentelijke ongediertebestrijdingsdienst die uiteindelijk redding bracht, ‘tegen dat plattelandse gif zijn “onze” muizen bestand; wat u hier op schoteltjes hebt neergezet, verslinden zij als gebakjes.’

In die omstandigheden verkeerde ik toen ik voor het eerst een boek van Israël Querido las. Het was Mooie Karel, het vierde deel van zijn Amsterdamsch epos ‘De Jordaan’ uit 1924. In mijn dagboek noteerde ik: ‘Niet om door te komen. Querido lezen is een opgave. Toch heeft de schrijver maar mooi mijn woordenschat verrijkt met “knagelingen” (= ratten); ook bruikbaar als synoniem voor muizen.’

Plattelanders

Het was eind jaren zeventig en ik was doctoraalstudent sociologie. Schoorvoetend, want emotioneel nog geenszins los van het kleinburgerlijke dorpsmilieu van mijn jeugd — een jaar- en streekgenoot zei vaak: ‘We wonen in Amsterdam, maar we blijven plattelanders’ —, deed ik mijn best mijn ‘eigenlijke zelf’ te vinden. De studie stond mij tegen, maar ik kwam vooruit, zij het langzaam. Liever dan in de sociologie dompelde ik mij onder in de literatuur (niet per se de Nederlandse). Afgezien van die streekgenoot maakte ik geen vrienden; en moest ik niet de deur uit voor de studie of om mijn liefde voor jazz en film uit te leven (in het gezelschap van die streekgenoot), dan zat ik in mijn eentje in mijn zelden muisvrije huurkamer en las (bij voorkeur dus geen sociologieboeken).

Naarmate de doctoraalfase vorderde, kreeg ik meer plezier in de studie. Dit kwam mede doordat het steeds makkelijker werd een bepaald soort medestudenten te ontlopen, de dogmatische pleitbezorgers van een totale omwenteling van de ‘verrotte oude’ maatschappij, de Overtuigden van het Eigen Politieke Gelijk, voor wie wetenschap niets meer was dan een middel in de strijd voor het heil van de medemens en die zwoeren bij deze uitspraak van de Bebaarde Betweter (Karl Marx):

De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.

Deze studenten, die in de kandidaatsfase bij de studie de sfeer hadden bepaald, raakten in de doctoraalfase uit het zicht. Waardoor dit kwam, herinner ik me niet precies; waarschijnlijk doordat hun keuze voor een vakspecialisatie verschilde van de mijne. Of waren de meesten van hen al in de studie vastgelopen?

Flaubert

Mijn leven was een ‘bios theoretikos’. Platter gezegd: ik las me een slag in de rondte. Bij stukjes en beetjes kwam de wereldliteratuur mijn muizenhol binnen, de Franse voorop. Gustave Flaubert (1821-1880) werd een favoriete schrijver.

Flaubert beantwoordde voor mij de vraag hoe een intellectueel zich tot de wereld en zichzelf had te verhouden, en dat antwoord was tegengesteld aan wat die drammende lawaai- en schettermarxisten vonden. In een brief aan een bewonderaarster van de roman Madame Bovary schreef deze auteur (wiens bijnaam me ook wel aanstond, de Kluizenaar van Croisset):

[Gustave Flaubert, Haat is een deugd; uit het Frans vertaald door E. Borger (1979) p. 145-146. Voor de gecursiveerde zinsneden uit de in deze editie afgedrukte brief gebruik ik ‘vet’.]

Beschouw het leven, de hartstochten en uzelf als een object voor intellectuele oefeningen. U bent verontwaardigd over ’s werelds onrecht, laagheid en tirannie, over alle vunzige en walgelijke kanten van het bestaan. Maar kent u die wel goed? heeft u alles bestudeerd? Bent u God? Wie zegt u dat uw menselijk oordeel onfeilbaar is? dat uw gevoelens u niet misleiden? Hoe kunnen wij met onze beperkte zintuigen en begrensde intelligentie tot absolute kennis van het ware en het goede geraken? Zullen wij ooit het absolute kunnen vatten? Om te kunnen leven moeten wij ervan afzien ons ooit ergens een heldere voorstelling van te maken. Zo zit de mensheid in elkaar, het gaat er niet om haar te veranderen, maar haar te leren kennen. Denk minder aan uzelf. Laat de hoop op een oplossing varen. […] Maar in het vuur van de studie liggen ideale vreugden besloten […] Probeer toch niet meer in uzelf te leven. Lees veel. Maak een studieplan en volg dat stipt en geregeld. Lees over geschiedenis […].

Richtsnoer voor het leven.

Meer sociologie

De sociologie kwam nadrukkelijker op mijn programma te staan. In hoor- en werkcolleges kreeg ik auteurs aangereikt die betoogden dat sociologie het niet kan stellen zonder geschiedenis. Ik noem vier namen: Norbert Elias, J. Goudsblom, C. Wright Mills, Jojada Verrips. Onder invloed van vooral deze auteurs beantwoordde ik de vraag wat de taak van sociologen is:

Sociologen moeten proberen inzicht te verschaffen in het zien, doen, denken en geloven van mensen. Ze kunnen dit doel bereiken door te verhelderen hoe die mensen zijn ingebed in de kleinere en grotere sociale verbanden waarvan zij deel uitmaken en hoe dit zien, doen, denken en geloven te maken heeft met al in het verleden ingezette ontwikkelingen die zich in die werelden om hen heen aan het voltrekken zijn.

Eiste de sociologie meer aandacht op dan vroeger, ik bleef ook boeken lezen die in geen van mijn studiegidsen vermeld stonden. Bellettrie vooral, en in dit genre met name romans; maar er kwam nog een genre bij: de biografie. Waarbij ik aanteken dat ik in de jaren die volgden alleen voor die biografen met een royale zwaai mijn hoed afnam die hun onderwerp in voldoende mate vanuit de hierboven aangeduide sociologische invalshoek benaderden. Als lezer van biografieën ontwikkelde ik mij tot een ‘context-freak’, werd ik een liefhebber niet zozeer van psychologiserende als wel van sociologiserende biografen.

Zola

‘Reizen doet lezen.’ De waarheid van deze uitspraak ondervond ik doordat ik met een zekere regelmaat met de streekgenoot voor een paar dagen naar Parijs ging en gefascineerd raakte door de nieuwste geschiedenis van Frankrijk. Wat had zoal mijn belangstelling? Dit vooral: het Tweede Keizerrijk, de Frans-Duitse Oorlog, de Commune van Parijs, de Dreyfus-affaire. Wie met deze onderwerpen zijn leeslust bevredigt en zoekt naar een bijpassende Franse literator — ik deed dat — komt onherroepelijk uit bij Émile Zola (1840-1902).

Zo werd na Flaubert Zola een literaire verslaving.

Zola schreef de roman-fleuve Les Rougon-Macquart. Histoire naturelle et sociale d’une familie sous le second Empire en is er vermaard om gebleven. Ik las de delen van deze tijdperkcyclus die beschikbaar waren in de Engelstalige serie Penguin Classics — je moet je niet deftiger voordoen dan je bent; voor de oorspronkelijke uitgaven was mijn Frans niet toereikend. Het meeste leesgenot verschafte me de roman Germinal (1885).

Het thema van deze roman is ‘hoop op een betere toekomst’. Zola laat die hoop ontkiemen in de harten van Noord-Franse mijnwerkers.

Het tafereel kan moeiteloos worden opgeroepen: ik zit in een morsige leunstoel een boek te lezen, waarin ik zo verzaligd verzink dat alles ervoor moet wijken. (De afstand tot de studie was met Germinal trouwens niet zo groot, getuige de mededeling op het achterplat van de door mij stukgelezen Penguin-editie [in 1954 voor het eerst verschenen en voortreffelijk ingeleid door Leonard Tancock]: ‘The novel has now become a sociological document.’)

Germinal zorgde voor een leeservaring zoals ik eerder alleen had gehad met De tranen der acacia’s van Willem Frederik Hermans toen ik nog op de hbs zat.

Voor Zola’s Germinal boog ik verpletterd het hoofd. Moet je zo’n boek herlezen? Decennia later vroeg ik me dit af. Een riskante onderneming, redeneerde ik: de kans dat het tegenvalt is het grootst. Maar toen de Rainbow-uitgave van de roman, in het Nederlands vertaald als De mijn, in de winkel kwam te liggen kon ik het toch niet laten.

De teleurstelling bleef uit. De roman bleek nog te staan als een huis. Kerstmis 2011 herlas ik de eerste hoofdstukken. Mijn vrouw had geen kind aan mij. Zola schetst een beeld van de sociale strijd van de mijnwerkers in negentiende-eeuws Noord-Frankrijk en dat, stelde ik vast, was onveranderd indringend gebleven.

Opnieuw door de roman geïmponeerd, uitte ik mijn enthousiasme in een column voor de website genoeg.nl. (Deze site ging over de manier waarop we met geld moeten omgaan om te belanden op de middenweg tussen te veel en te weinig.)

Het desbetreffende stukje — ik schreef het in mijn hoedanigheid van geldonderzoeker bij het Geldmuseum — wil ik hier met u delen. Een enigszins aangepast zelfcitaat dat ik niet als citaat presenteer.


Van de vaderlandse dichtervorst J.C. Bloem (1887-1966) is de uitspraak: ‘Het is niet dat verdomde geld, maar dat verdomde géén geld.’ Bij lezing van de eerste hoofdstukken van Zola’s roman drong deze uitspraak zich voortdurend op. Hoe een kinderrijk mijnwerkersgezin probeert rond te komen van een slavenloon en hoe dat grandioos mislukt – daarover gaan die eerste hoofdstukken. Het vervolg van het boek benam me ook de adem. Tweede Kerstdag — ik was halverwege de roman — hielden familieverplichtingen me van verder lezen af. De vakantiedagen daarna stonden in het teken van de rest van het boek.

Het verhaal speelt zich af in het Frankrijk van de late jaren 1860. De troon van keizer Napoleon III wankelt nog net niet. In het departement Nord zijn de gevolgen van een economische crisis merkbaar. Opdrachten uit Amerika blijven uit, overproductie leidt tot een opeenhoping van bevroren kapitaal. Van het ene eind van de streek tot het andere hoort men als het ware het ineenstorten van bankroete bedrijven. In de steden ruïneren met de noorderzon vertrokken bankiers hele families.

De algemene slapte noodzaakt een grote mijnmaatschappij het ophalen van kolen te beperken. Om de dividenden van de aandeelhouders toch nog enigszins op peil te houden worden de lonen van de mijnwerkers verlaagd. Die dreigen van de honger te creperen, pikken het niet en gaan staken. Meer dan eens nemen ze bij hun acties hun toevlucht tot anarchistisch geweld.

Arbeid, het ‘TeWeinig’, treedt in het strijdperk tegen Kapitaal, het ‘TeVeel’. Een overwinning op de aandeelhouders en grootverdieners, die miljoenen spenderen aan overbodige luxe en ministers betalen voor hun aan de mijnmaatschappij bewezen diensten, lijkt bij voorbaat uitgesloten.

De arbeiders verliezen inderdaad. Na ruim twee maanden staken dwingt de honger hen weer de mijnen in. Stakingsleider Etienne Lantier, Zola’s hoofdpersoon, is iemand van buiten de mijnstreek, die als mijnwerker onder de mijnwerkers zijn ‘eigenlijke zelf’ heeft gevonden. Eerzuchtig werpt hij zich op de zelfstudie, met als doel zijn klasse te ontstijgen. Hij verruilt de mijnstreek voor Parijs. Vervuld van politieke ambities droomt hij ervan de socialistische maatschappij door wettige actie naderbij te brengen.

Deze roman van de immer naar waarheidsgetrouwheid strevende Zola doet je beseffen dat niet alles vroeger beter was.

Querido

Juli 2019. Ik schrijf dit in het Land van Wiek, Weiland en Water, ergens in Het Groene Hart, waar ik tijdens het zomerreces naar hartenlust de plattelander uithang. Afgezien van wat de kat vangt tussen de hortensia’s bij De Groene Haan, het optrekje van mijn vrouw en mij (zie de uitgelichte afbeelding), zijn muizen uit mijn leven verdwenen. Hetzelfde geldt voor de streekgenoot — ‘long time no see or speak’. Émile Zola is er nog wel, evenals de man die we hierboven leerden kennen als munter van de term ‘knagelingen’ en auteur van de roman Mooie Karel: Israël Querido, die in zijn glorietijd, begin twintigste eeuw, wel met Zola werd vergeleken.

Eén kwestie bleef tot dusver onaangeroerd. Wat bracht mij ertoe die Querido-roman in huis te halen? Terug naar de tijd waarin mijn sociologiestudie langzaam maar zeker ruggengraat kreeg.

Tot mijn lectuur behoorde in die dagen ook De rafelrand van Amsterdam, een bundeling van sociografische schetsen uit de jaren dertig (samengesteld en ingeleid door Frank Bovenkerk en Lodewijk Brunt, in 1977 uitgegeven). Op de details van dit boek hoef ik niet in te gaan; ik kan volstaan met de opmerking dat de meest memorabele schets in deze bundel, over ‘Jordaners’ in Amsterdam, is gebaseerd op in 1930 verricht participerend-observerend onderzoek.

Die methode van de participerende observatie, schrijven de samenstellers van De rafelrand in hun inleiding (p. 8), was in de jaren dertig op zichzelf niet nieuw:

Een aantal romanschrijvers had zich reeds onder het volk begeven om er inspiratie op te doen voor hun werk. Is. Querido vestigde zich in 1911 in de Jordaan om er zijn epos te schrijven over Manus Peet […].

Met de wetenschap van nu, anno 2019, kan ik makkelijk op deze opmerking van Bovenkerk en Brunt afdingen. Querido was al veel eerder dan in 1911 participerend-observerend bezig in de Amsterdamse Jordaan; vijf jaar ervoor al wilde hij in de buurt inburgeren en betrok hij er ‘kleine woninkjes nu hier, dan daar’ om er het marktleven en het nachtleven te bestuderen. [Frans Netscher, ‘Is. Querido. Karakterschets’, De Hollandsche Revue 25 (1920) p. 144.] Bovendien schreef Querido na dat participerend observeren een heuse romancyclus, De Jordaan (1912-1924), en niet alleen het epos — beter: de roman; met ‘epos’ duidt men de hele cyclus aan — Manus Peet (1922).

Hoe dan ook: eind jaren zeventig prikkelde de opmerking van Bovenkerk en Brunt me genoeg om Manus Peet te willen lezen. Een ‘epos’ geschreven na participerend-observerend onderzoek — het kon wel niet anders of dit moest mij, socioloog in wording en literatuurliefhebber, aantrekken.

Bij de Amsterdamse openbare bibliotheek bleek Manus Peet niet voorhanden te zijn. Lukraak koos ik daar vervolgens voor een ander Jordaan-deel, Mooie Karel (1924).

Een ongelukkige greep: het boek was niet om door te komen zo langdradig; en de schrijver gaf me nergens het gevoel dat hij de vaste grond van de sociale werkelijkheid in de Amsterdamse Jordaan onder de voeten had.

Toen nog een andere Querido geprobeerd? Nee, na Mooie Karel vond ik het eigenlijk al genoeg. Maar wel nog even gegrasduind in de literair-historische handboeken. Zou ik daarin toch nog worden geattendeerd op een meesterwerk? Hoe luidde het oordeel over Querido van de gevestigde neerlandistiek?

In die naslagwerken vond ik binnen de kortste keren een verwijzing naar J.L. Boenders Is. Querido en het begrip literatuur uit 1927. In dit boek wordt Querido, door Boender getypeerd als een schrijver van ‘lawaaiproza’, zo overtuigend afgebrand dat iedereen die het heeft gelezen definitief met een grote boog om het slachtoffer heen loopt. Ik besloot dat ook te doen en hield me daaraan, tot…

… tot ik midden jaren negentig, een periode waarin het genre van de biografie onderwerp was van menig debat, met mijn vrienden van Historisch Nieuwsblad bij een borrel de vraag besprak aan wie wij nu zelf graag een biografie zouden wijden. Ik herlas in die dagen Gerard Reve’s roman Bezorgde ouders. Hierin laat Reve op een voor hem typerende wijze hoofdpersoon Hugo Treger als volgt diens belabberde woonomstandigheden becommentariëren [Verzameld werk. Deel 5 (2001) p. 201]:

Wonen waar niemand anders wil wonen, dat is het.

Aan de Historisch Nieuwsblad-borreltafel schoot me Israël Querido te binnen; en met een variant op wat ik bij Reve had gelezen zei ik gekscherend:

Iemand biograferen over wie niemand anders wil schrijven, dat is het.

Daarna ben ik in mijn eigen grap gaan geloven.