Biografiebesognes in Sartre’s Walging

Antoine Roquentin, hoofdpersoon in Sartre’s roman Walging, mislukt als biograaf. Hij zegt niet eens de kracht te hebben zijn eigen verleden vast te houden; hoe kan hij dan verwachten dat hij het verleden van een ander aan de vergetelheid zal ontrukken?

Geen greep op het verleden van een ander

Hoe krijgt Antoine Roquentin, de hoofdpersoon in Jean Paul Sartre’s debuutroman Walging (1938), in ’s hemels naam brood op de plank? Hij is historicus — dat lezen we al op een van de eerste bladzijden van het boek. Hij leeft alleen. Hij frequenteert de kroegen. Hij deelt regelmatig het bed met een kasteleines om van een bepaald soort depressieve buien af te komen. Hij heeft rood haar. Hij luistert graag naar een plaatopname van ‘Some of these days’, een ragtime die hij in 1917 Amerikaanse soldaten heeft horen fluiten in de straten van La Rochelle. Hij vindt Eugénie Grandet van Honoré de Balzac een saaie roman. Hij kan geen museum binnenlopen of hij krijgt last van hoofdpijn. Hij gaat lunchen met een op jonge jongens vallende autodidact, die vindt dat je alles zou moeten hebben gelezen. Hij spreekt af met een vriendin, de dikke actrice Anny, die sinds haar jeugd een editie van Michelets Histoire de France op haar nachtkastje heeft liggen.

Alles goed en wel, maar hoe komt hij nu aan de kost? Het blijft lang in het ongewisse. Pas tegen het einde van het boek blijkt dat de dertigjarige Roquentin driehonderdduizend francs bezit, genoeg geld om te kunnen rentenieren.

Na een leven van reizen heeft Antoine Roquentin zich gevestigd in de Franse kustplaats Bouville. Hij heeft daar een jaar of wat achter de rug als hij in januari 1932 een dagboek begint bij te houden ‘om greep op de werkelijkheid te krijgen’. De roman Walging bestaat uit dat dagboek. Het loopt tot eind februari 1932. Roquentin verruilt Bouville dan voor Parijs.

De openbare bibliotheek van Bouville bewaart archiefmateriaal dat het leven bestrijkt van de markies van Rollebon, een achttiende-eeuwse edelman. Roquentin bezoekt deze bibliotheek bijna dagelijks. Hij werkt er aan een biografie van Rollebon. Heeft deze aristocraat, die foeilelijk was maar desondanks de dames aan het hof van Marie Antoinette het hoofd op hol bracht, nu wel of niet een aandeel gehad in de moord op tsaar Paul I? Dat is een van de vragen waarmee Roquentin worstelt.

Op een maandag — hij is dan aanbeland bij hoofdstuk 13 van de biografie — komt Roquentin zo muurvast te zitten dat hij het bijltje er definitief bij neergooit. Hij heeft, noteert hij in zijn dagboek, niet eens de kracht zijn eigen verleden vast te houden; hoe kan hij dan verwachten dat hij het verleden van een ander aan de vergetelheid zal ontrukken?

Het besluit om de biografie onvoltooid te laten, valt op het moment dat Roquentin doordrongen raakt van een tragisch levensbesef:

Alles is vrijblijvend; de dingen zijn er zonder noodzaak; elk mens is in wezen overbodig.

Jean-Paul Sartre, 1924. Attribution: See page for author [CC0], via Wikimedia Commons.

De Walging-lezers zijn getuige van Roquentins poging het bestaan te doorgronden. Bij tijden krijgen zij in het dagboek te maken met existentialistische krachtpatserij. Maar zetten zij door, dan worden die lezers beloond met een paar treffende formuleringen. Waaronder deze:

Het lot van mensen die klein zijn wordt altijd een paar centimeter boven hun hoofd beslist.


Deze column werd eerder gepubliceerd in de reeks ‘Personages. Historici in de literatuur’, die ik in 1998 schreef voor Historisch Nieuwsblad. De column is in zijn oorspronkelijke vorm online te lezen. In dezelfde column-reeks verscheen ‘Bofkont Jim’.