Wenen, honderd jaar geleden

Op 12 november 1998 herdacht Oostenrijk zijn tachtigjarig bestaan als republiek. Door Historisch Nieuwsblad (HN) eropuit gestuurd, was ik een dikke week in Wenen om inspiratie op te doen en materiaal te verzamelen voor een verhaal. Mijn missie was op locatie tachtig jaar in de tijd terug te gaan, naar de geboortedag van de republiek, 12 november 1918, dag die, zoals ik wist, tumultueus verliep. Ik wilde het stadium bereiken dat ik de gebeurtenissen van die roerige geboortedag kon reconstrueren. Het verhaal waarmee ik thuiskwam, verscheen in de 1998-decemberaflevering van HN.

We zijn nu twintig jaar verder: vandaag, 12 november 2018, herdenkt de Republik Österreich zijn honderdjarig bestaan. Een mooie gelegenheid om mijn verhaal uit 1998 met u te delen.

Wenen 12 november 1918: een reconstructie

Twee doden en veertig gewonden vielen er op 12 november 1918 in Wenen. Links-radicalen probeerden de stichting van de Duitsoostenrijkse democratische republiek te verijdelen. Bij de tachtigste verjaardag van de republiek werden in Oostenrijk weinig woorden vuilgemaakt aan de roerige geboortedag.

De oude Reichsratssitzungsaal in het parlementsgebouw in Wenen biedt op 12 november 1998 rond het middaguur een plechtige aanblik. De twee Kamers van de volksvertegenwoordiging, de Nationalrat en de Bundesrat, vieren gezamenlijk de tachtigste verjaardag van de Oostenrijkse republiek. Een afvaardiging van het Oostenrijkse establishment mag de bijeenkomst met haar aanwezigheid luister bijzetten. Gewone stervelingen moeten het doen met een rechtstreekse tv-uitzending.

Das k.k. Reichsratsgebäude (heute Parlament) an der Wiener Ringstraße um 1900, aufgenommen vom Burgtheater aus; rechts der Rathauspark. [Public domain], via Wikimedia Commons.

Ingetogen toespraken; een stemmige muzikale omlijsting (composities van Anton Webern, Hanns Eisler en Michael Mautner) — de Festsitzung is alleszins draaglijk. De redenaars, onder wie bondskanselier Viktor Klima en bondspresident Thomas Klestil, hebben vertrouwen in de Zukunftfähigkeit van Oostenrijk. De eerste helft van de twintigste eeuw had een reeks rampen in petto, maar herstel is niet uitgebleven, en in het kader van een verenigd Europa kan het land zich in de juiste richting verder ontwikkelen.

Het tv-toestel op mijn hotelkamer is een aftands apparaat. Niettemin kan ik vaststellen dat in de redevoering waarmee Klestil de jarige republiek gedenkt, de historische inslag het sterkst is. ‘Verschrikkelijke cesuren’ is een term die ik uit de mond van dit toplid van de Oostenrijkse Volkspartij opteken. Klestil gebruikt hem in verband met de jaren 1927 en 1934 (in 1927 brak, nadat de tegenstellingen tussen socialisten en reactionaire katholieken tot een gewelddadige uitbarsting waren gekomen, in Oostenrijk een periode van burgeroorlog aan; in 1934 vernietigde Dolfuss de democratie). De kortelings 66 geworden bondspresident verwijlt ook bij andere episoden uit de tachtigjarige geschiedenis van de Oostenrijkse republiek: 1938-’45 (Anschluß en WO II), 1955 (Oostenrijk herkrijgt van de geallieerden zijn soevereiniteit) en 1989 (het IJzeren Gordijn wordt doorgeknipt). Mooi allemaal, maar nog mooier zou ik het vinden als Klestil iets meer zei over de geboortedag van de tachtigjarige. Op 12 november 1918 werd in Wenen de republiek uitgeroepen — oké. Maar hoe ging dat in zijn werk? Verliep de proclamatie ordelijk? Hoeveel geweld kwam eraan te pas? Van Klestil komen de tv-kijkers het niet te weten. Van de andere feestredenaars trouwens evenmin.

Misschien mag je het antwoord op dit soort vragen ook niet van herdenkende politici verwachten. Maar wel van de Oostenrijkse televisie! Die laat het echter bij de rechtstreekse uitzending uit het Parlament. Dan maar de kranten geprobeerd die ik vanmorgen heb gekocht. Ook teleurstellend. Zo moet ik dan toch nog naar Oostenrijks nationale bibliotheek. Gelukkig tref ik daar veelbelovende bronnen aan. Het wordt een paar dagen aanpoten, maar dan moet ik tot een verantwoorde reconstructie van de gebeurtenissen van tachtig jaar geleden in staat zijn.

Een nieuw Oostenrijk

Het liep op 12 november 1918 tegen vieren toen Franz Dinghofer het bordes van het parlementsgebouw aan de Weense Ringstraße betrad. Ten overstaan van een overweldigende menigte — voor het Parlament hadden zich ondanks het miezerige weer zeker tweehonderdduizend mensen verzameld — hield Dinghofer een nieuw Oostenrijk ten doop. Bij dit nieuwe Oostenrijk ging het om alle voormalige bestanddelen van de in de Eerste Wereldoorlog verbrokkelde Habsburgse dubbelmonarchie die overwegend Duitstalig waren. Deze zouden als ‘Duitsoostenrijk’ met elkaar verder gaan.

Franz Dinghofer, österreichischer Politiker. Source: Fritz Mayrhofer und Walter Schuster ed., Linz zwischen Revolution und Weltkrieg, 1848-1918 (Linz: Verlag Archiv der Stadt Linz, 2005). Attribution: See page for author [Public domain], via Wikimedia Commons.

Dinghofer was lid van het presidium van een al functionerende Duitsoostenrijkse volksvertegenwoordiging, de Voorlopige Nationale Vergadering. Kort voor Dinghofers gang naar het bordes had dit gezelschap in de Herrensaal van het parlementsgebouw een wet aangenomen betreffende de stichting van de nieuwe staat. Dinghofer las deze wet op het bordes voor. Op één punt moet hij de nadruk hebben gelegd: Duitsoostenrijk zou een democratische republiek worden.

Vlaggenincident

Nog tijdens Dinghofers toespraak liepen personeelsleden van het Parlament naar de twee enorme masten die voor het bordes oprezen. De bedoeling was dat er exemplaren van de nieuwe rood-wit-rode staatsvlag de hoogte in gingen. Het kwam er niet van. Opgewonden soldaten pakten de vlaggen af en ontdeden die van hun witte baan. De restanten werden aan elkaar geknoopt en even later wapperde aan de masten niet de weinig uitdagende tweekleur van Duitsoostenrijk maar het radicalere egaal-rood.

De vlaggenknutselaars behoorden tot de Rode Garde, een militaire organisatie die zich liet inspireren door de Russische revolutie. In de gelederen van deze organisatie hield zich een gemêleerd gezelschap op: losgeslagen ex-frontsoldaten, kort tevoren uit gevangenschap teruggekeerde deserteurs, stijfhoofdige jonge studenten, kunstenaars en andere door Weltschmerz aangestoken dromers.

Egon Erwin Kisch was een van de opperhoofden. Kisch, een journalist en avonturier die in zijn vrije tijd graag tegen een voetbal aanschopte, werd in bepaalde Weense kringen gekoesterd om zijn onthullende artikelen.

Ausrufung der Republik Deutschösterreich. Source: Austrian newspaper Sport und Salon (November 17, 1918). Author: unknown. Attribution: Unknown (the photographer is unknown and not mentioned in the source). [Public domain], via Wikimedia Commons.

De Rode Garde stond op zeer goede voet met de communistische partij van Oostenrijk, de KPÖ, die op 12 november 1918 trouwens nog maar kort bestond (negen dagen om precies te zijn). Net als de KPÖ’ers stonden de rode gardisten een socialistische republiek voor. Puttend uit hetzelfde gedachtegoed, vestigde de ene groepering zowel als de andere al haar hoop op een dictatuur van het proletariaat. Deze dictatuur kon maar op één manier worden gevestigd: door alle politieke en economische macht te laten toevallen aan arbeiders- en soldatenraden.

Het radenmodel — dat was bepaald niet waar Franz Dinghofer het over had toen hij op het bordes van het Parlament de republiek Duitsoostenrijk stond te proclameren. Bleef Dinghofer stoïcijns onder het vlaggenincident? We weten het niet. Wat we wel weten is dat na hem nog twee leidende figuren op het bordes het woord voerden: Karl Renner, sociaaldemocraat en chef van de voorlopige regering van Duitsoostenrijk, en Karl Seitz, eveneens sociaaldemocraat en net als Dinghofer lid van het presidium van de Voorlopige Nationale Vergadering.

‘Lang leve de Duitsoostenrijkse republiek!’, jubelde Seitz aan het begin van zijn praatje. Bij hem in de buurt op het bordes stonden links-radicale arbeiders uit het Weense gemeentedistrict Floridsdorf. Zij reageerden onmiddellijk met de kreet die ook op hun spandoek stond geschilderd: ‘Lang leve de socialistische republiek!’ Rode gardisten moeten deze ondersteuning van hun politieke ideaal op prijs hebben gesteld.

Machinegeweervuur?

De toespraak van Karl Seitz vormde het sluitstuk van de plechtigheid op het bordes. Dinghofer, Renner en Seitz gingen terug naar de Herrensaal in het parlementsgebouw, waar de Voorlopige Nationale Vergadering nog het een en ander te bespreken had. Het was half vijf. Het Weense daglicht was al ruimschoots bezig tot duisternis te verflensen. Personeel ontstak in het Parlament de lichten.

Buiten hield de drukte aan. Onder het bordes waren verhitte discussies gaande. Karl Steinhardt, oprichter van de KPÖ, schreeuwde het hardst. Zwaaiend met een manifest, verkondigde deze gestaalde klassenstrijder de blijde boodschap: ‘Het proletariaat heeft besloten de socialistische republiek te vestigen, en de tijd is rijp om dit besluit uit te voeren.’ Omstanders barstten uit in luid gejuich.

Samen met een aantal partijgenoten wilde Steinhardt vervolgens het Parlament betreden. Zijn bedoeling was naar de Herrensaal te gaan om de daar vergaderende volksvertegenwoordigers het manifest met het proletarische besluit te overhandigen. Het mislukte faliekant. Steinhardt en de zijnen werd de toegang tot het gebouw onmogelijk gemaakt; wakkere bedienden sloten bijtijds de ingang bij het bordes af. Op de brede treden die naar het bordes voerden, verdrongen zich inmiddels ook gewapende rode gardisten. De sfeer werd uiterst grimmig. Liep het Parlament gevaar? Was er een links-radicale bestorming in de maak? In het gebouw zelf vreesde men van wel. De lichten gingen uit en voor de vensters werden de houten rolluiken neergelaten. Deze laatste manoeuvre ging gepaard met een scherp geratel. Het klonk als machinegeweervuur.

De menigte bij het Parlament raakte hierop door paniek bevangen. Er was geschoten! Men moest hier weg! Tumultueuze toestanden, die nog in hevigheid toenamen nadat er ook echte salvo’s waren afgevuurd. Mensen probeerden uit alle macht veiliger oorden op te zoeken.

Uit een Weense kazerne werden haastig soldaten opgetrommeld wier trouw aan de democratische republiek buiten kijf stond. Tegen half zes was de orde hersteld. De vreugde daarover werd vermengd met droefenis: er waren twee doden gevallen, en veertig personen hadden verwondingen opgelopen.

Oog kwijt

Tot de gewonden behoorde de perschef van Karl Renners voorlopige regering, Ludwig Brügel,  die later vijf kloeke delen zou volpennen over de geschiedenis van de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Hij was een oog kwijtgeraakt.

Ludwig Brügel, Geschichte der österreichischen Sozialdemokratie. V, Parlamentsfeindlichkeit und Obstruktion / Weltkrieg / Zerfall der Monarchie (1907-1918). Attribution: Ludwig Brügel [Public domain], via Wikimedia Commons.

KPÖ-voorhoedespeelster Ruth Fischer had het tumultueuze uur evenmin ongeschonden doorstaan. Zij was door wegvluchtende mensen onder de voet gelopen, en had daarbij het bewustzijn verloren.

Toen zij weer bij kennis kwam, zette Fischer grote ogen op. Zij was namelijk niet meer op de plek waar zij bewusteloos was geraakt. Van vrienden hoorde zij de toedracht. Rode gardisten en communisten, onder wie Kisch en Steinhardt, hadden rond kwart over vijf het Parlament de rug toegekeerd met het plan naar het kantoor te gaan van de Neue Freie Presse, een voornaam Weens dagblad. Zij hadden Fischer, die op het trottoir had gelegen, met zich meegedragen tijdens de twintig minuten durende mars naar de Fichtegaße, waar het bewuste kantoor was bezet. Fischer was daarna gebombardeerd tot de nieuwe hoofdredacteur van de Neue Freie Presse. 

Revolutionair pleziertje

Fischer was dus buiten haar weten betrokken geraakt bij nog een actie van links-radicalen. Veel rendement had deze actie niet. De bezetters zagen kans een vlugschrift van de pers te laten rollen, waarin nogmaals werd gesteld dat de tijd rijp was voor een proletarische radenrepubliek, maar het revolutionaire pleziertje was van korte duur. Na een paar uur al werden de bezetters door een politiemacht uit het pand verdreven. Fischer en Steinhardt moesten mee voor een uitgebreid verhoor.

Zo verliep 12 november 1918 in Wenen zonder dat er een radenrepubliek tot stand kwam. Ook later zou het daar niet van komen, al lieten rode revolutionairen in 1919 nog genoeg van zich horen. Maar dat is een ander verhaal.