Marten Toonder en het geld

‘Geld in een Bommel-/Tom Poes-verhaal van Marten Toonder’ — daarover gingen twee van de vijftig columns die ik als geldonderzoeker schreef voor de website van De Telegraaf. Omdat niet alles wat ik aan de tekstverwerker toevertrouwde de status hoeft te krijgen van een voor anderen onbereikbaar ‘Word’-bestand in mijn computer, gun ik deze columns, waarin ik een autobiografische toon aansla, een nieuw leven. (Het wakker-Nederlandse dagblad heeft ze een jaar of wat geleden van zijn website geschrapt.) Ze ondergingen voor de gelegenheid een kleine opknapbeurt.

1. Geld trekt geld aan

Een naam voor de auto was snel gevonden. Mijn vader zei quasi-plechtig: ‘Wij dopen u Oude Schicht en wensen u een behouden vaart.’ De auto was een kleine vrachtwagen van het merk Borgward (type D 1000). Als kolenboer ventte mijn vader er zijn handelswaar mee uit. Mijn zusje en ik wisten terdege hoe hij aan de naam Oude Schicht was gekomen.

Vader Pieter Borst, eind jaren vijftig de trotse bezitter van een Borgward (type D 1000). (Foto collectie GerardNBorst)

Fragment uit mijn vorige blogbericht [enigszins aangepast]:

We schrijven 1958. Mijn ouders hadden voor mijn zusje en mij een abonnement genomen op de Donald Duck. Elke dinsdag rond twaalf uur viel bij ons een nieuwe editie van het stripblad op de mat. Eerder al flink opgewonden, renden mijn zusje en ik dinsdags tussen de middag zo hard mogelijk vanuit de lagere school naar huis. Het was zaak als eerste de strip te bemachtigen. De winnaar van deze strijd, op het scherp van de snede, kon het prachtblad dan nog tijdens het ‘bescheiden doch smaakvolle’ middagmaal tot zich nemen.

Hieraan moet nu iets worden toegevoegd: de eer om de eerste lezer te zijn mocht ons veel waard zijn, het was altijd mijn vader die met die eer ging strijken. Op de laatste vier bladzijden van elke aflevering stond een hoofdstuk uit een Tom Poes-verhaal van Marten Toonder. Mijn vader was een vroege Bommel-fanaat en de nieuwe Donald Duck kon nog niet op de mat liggen of het Toonder-hoofdstuk was al door hem verslonden.

Zoals ook al opgemerkt, heb ik de jaargang ’58 van de strip in ingebonden vorm nog steeds in mijn bezit. Over geld staat in deze kloeke band weinig te lezen, al zegt Bommel vanzelfsprekend wel een paar keer dat geld voor een heer van zijn stand geen rol speelt. Het is professor Sickbock die in het topstuk uit mijn bibliotheek de show steelt. Van de over hem gestelde overheid is de grote geleerde weinig onder de indruk:

Of ik aan het hoofd sta van het land? Neen! Dat gaat meestal niet samen met een ontwikkeld denkvermogen.

Sickbocks uitspraak zal wel nooit aan actualiteit inboeten.

Geldfilosofisch is Toonder het best op dreef in zijn verhaal De bovenbazen. Daarin treedt Amos W. Steinhacker op (AWS onder zijn gelijken). AWS, president van de Aard-Bank, is een weergaloos denker over geld:

Geld trekt geld aan. Als men weinig heeft, zal men het kwijtraken aan iemand die meer heeft; en als men veel heeft komt er steeds meer bij.

AWS geeft Bommel wijze raad:

Geef nooit geld weg. Zeg altijd, dat je zóveel verplichtingen hebt, dat er niets meer af kan. Werk slijtage in de hand, want dat bevordert de productie. Bevorder de verveling; dat schept behoefte aan nieuwe dingen. Roei de natuur uit, want natuur is onze grootste vijand.

Bommel probeert conform dit advies te handelen. Tevergeefs. Per slot van rekening raakt hij ervan doordrongen dat het leven heel moeilijk is voor iemand voor wie geld geen rol speelt.

2. Slijtage verhoogt de welvaart

Elke aflevering van de jaargang ’58 van de Donald Duck bevatte een hoofdstuk uit een Tom Poes-verhaal van Marten Toonder. Telkens nam ik dat gretig tot mij — mijn vader, een vroege Bommel-fanaat, ging me hierin altijd voor –, al moet de portee van de verhalen me zijn ontgaan.

Toen mijn ouders in 1958 voor mijn zusje en mij een abonnement op de Donald Duck namen, lag de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen. De naweeën van vijf jaar bezetting waren nog voelbaar, maar de wederopbouw werd al krachtig ter hand genomen. Willem Drees was minister-president. Onder zijn bewind was een jaar tevoren de AOW ingevoerd. Wie vijfenzestig werd trok, zoals de volksmond zei, voortaan van Drees. De uitdrukking ‘trekken van Drees’ bestond overigens al sinds 1947, toen Drees als minister van Sociale Zaken de Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand had gebracht, de voorloper van de AOW.

Naar Drees wordt verwezen in het door Marten Toonder en anderen getekende en geschreven Koning Hollewijn-verhaal ‘De holle appel’. In dit stripverhaal, in 1954 afgedrukt in De Telegraaf, is de koning een bejaarde werkloze, ‘die niet van Dreutel trekt’. Drees = Dreutel: aan de teken- en schrijftafel in de Toonder-studio is het vast en zeker vrolijk toegegaan.

Van ‘De holle appel’ ben ik destijds verstoken gebleven. In 1954 was ik drie en nog geen lezer. In 1958 was ik dat wel. Het abonnement op de Donald Duck was zeer aan mij besteed. Elke aflevering van dit vrolijke weekblad bevatte een hoofdstuk uit een Tom Poes-verhaal van Marten Toonder. Telkens nam ik dat gretig tot mij — mijn vader, als gezegd een vroege Bommel-fanaat, ging me hierin altijd voor –, al moet de portee van de verhalen me zijn ontgaan.

In het eerste Tom Poes-verhaal waarmee ik langs deze weg mijn geest verrijkte, is een glansrol weggelegd voor professor Sickbock. U las dit hierboven al. Van de over hem gestelde overheid is deze boosaardige geleerde weinig onder de indruk (ook dit las u al; in dit blog zit de kracht in de herhaling):

Of ik aan het hoofd sta van het land? Neen! Dat gaat meestal niet samen met een ontwikkeld denkvermogen.

Het is verleidelijk te veronderstellen dat Toonder Drees nadrukkelijk niet uitsloot van de diskwalificatie die hij Sickbock in de mond legde.

Marten Toonder (1986). Geertjan Lubberhuizen Prize at Nieuwe Kerk (Amsterdam, the Netherlands). Door Roland Gerrits (ANEFO) – GaHetNa (Nationaal Archief NL), CC BY 3.0.

Wim Hazeu schreef Toonders biografie. Hij wijdt daarin bewonderende woorden aan het Toonder-verhaal ‘De slijtmijt’. Toen ik de biografie uit had, heb ik dat meteen uit de boekenkast opgediept.

Het is crisis in Rommeldam. Amos W. Steinhacker, een grootondernemer in de bouwsector die behoort tot de ‘Bovenste Tien’ van de stad, legt de vinger op de wonde plek:

We moeten meer slijtage hebben! Meer consumptie! Weggooi-huisjes; die verhogen de welvaart!

Bovenbaas Steinhacker wil meer slijtage en krijgt die ook. Door toedoen van heer Bommel komen de slijtmijten in de wereld. Deze zogenoemde ‘kadukevers’ zijn verzot op beton en degraderen huizen en gebouwen binnen de kortste keren tot puinpoeier. Dat gaat Steinhacker weer te ver. Een dolgedraaide slijtage (consumptie) leidt, zoals hij zegt, tot nieuwe malaise, een puinpoeier-crisis. Een list van Tom Poes maakt de slijtmijten ten slotte onschadelijk. Een mutant van de slijtmijt komt terecht in de Rommeldamse rivier, met als prachtig resultaat dat het vervuilingsprobleem wordt opgelost.

Op Bommelstein toast men op de goede afloop. Het Rommeldamse leven heeft zijn normale loop hernomen. Amos W. Steinhacker wordt nog maar met moeite wijs uit de aandelenmarkt, maar kan het allemaal wat beter relativeren: ‘Ach,’ verzucht hij, een glas wijn naar zijn mond brengend,

Geld maakt niet gelukkig; ik moet daar in voorkomend geval toch eens aan denken.


Recentelijk schreef Wim Hazeu de biografie van Lucebert. Hierover was begin 2018 veel te doen.