Geld is krediet

Donderdag 22 november 2012 hield ik een voordracht tijdens het negentiende Actualiteitencongres Schuldhulpverlening (Meeting Plaza, Maarssen). Mijn betoog kreeg een kil onthaal. De zaal, gevuld met professionals voor wie het gezegde opging dat de een z’n nood de ander z’n brood is, had er geen boodschap aan. Het verhaal krijgt hier een reprise. Verdiend of onverdiend — dat mag u uitmaken. Ter voorbereiding van mijn voordracht dook ik destijds uit mijn archief een oudere column op, die aan mijn onderwerp raakte. Die column, eerder geplaatst op de website van De Telegraaf (maar daar inmiddels geschrapt), krijgt u hier na mijn congresbetoog van november 2012 als toegift.

1. Schulden in historisch perspectief

Voor de nu vergeten schrijver Is. Querido (1872-1932) boog de lezende middenklasse in de eerste decennia van de twintigste eeuw verpletterd het hoofd. Hij publiceerde in de periode voor de Eerste Wereldoorlog drie sociale romans, die ik als biograaf van de schrijver reken tot zijn beste werk. Querido gaf in deze boeken zijn visitekaartje af als documentair beelder van het door goorheid en gebrek geteisterde bestaan in de lagere maatschappelijke regionen. Hij toonde zijn burger-lezers een kant van de samenleving, waarvoor zij niet langer blind konden noch wilden blijven. Die drie romans fascineerden het weldenkende deel der natie, dat in die periode oplossingen zocht voor de zogenoemde sociale kwestie (slechte werk- en woonomstandigheden, drankmisbruik, woekerpraktijken van malafide kredietverstrekkers, enzovoort).

Israël Querido, 1910. Source: Els Hoek ed., Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus (Bussum: Uitgeverij Thoth, 2000). Attribution: Theo van Doesburg (1883-1931) [Public domain], via Wikimedia Commons.

Bij die woekerpraktijken van malafide kredietverstrekkers verwijl ik even. Treffende passages daarover vinden we in de eerste roman van Querido’s cyclus De Jordaan, die ruim honderd jaar geleden het licht zag. De hoofdpersonen van deze roman, de echtelieden Neel Scheendert (winkelierster) en Stijn Burk (vishandelaar), kloppen voor een lening aan bij de weekvrouw Tonie, het ‘sluwe, wreede wijf’, schrijft Querido, ‘van Hannes Draaibord’. Deze Tonie legt Neel en Stijn het wurgkoord rond de hals. Iedere week betaalt Stijn van het geleende bedrag – hoe groot dat is, vermeldt Querido niet – tien gulden af. ‘Op zijn Jordaansch,’ aldus Querido,

Op zijn Jordaansch. Dat was dan twaalf gulden, terwijl beschouwd als tien. Dan had hij iedere maand vijf gulden voor de goeiigheid van het leenen zelf moeten geven, en dan voor het heele bedrag nog honderd procent rente zoolang het uitstond.

Querido tilt de zaak vervolgens naar een algemeen niveau en laat zijn pathos de vrije teugel:

Zoo werden ze als ventertjes en negocianten door sluw-zich-verrijkende weekvrouwen en woekerende geldschieters, door eigen klassegenooten uitgemergeld; door het pezigste egoïsme en de laagste winzuchtigheid leeggeperst. Met uitgepuilde oogen van hebzucht stonden de woekeraars op de loer, iedere week wachtend op hun termijn, onvermurwbaar en dreigend-met-het ergste, afbreking van steun, als er niet precies termijn-bedrag en óverbedrag gestort werd.

Over het leed dat die woekerpraktijken de slachtoffers berokkende schrijft Querido ook in zijn bundel Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam (1931). De taferelen zijn vaak hartverscheurend, aldus de sociaal voelende Querido. Hij schrijft Jordaners in de vreselijkste wanhoop te hebben ontmoet,

[…] levende onder dien moordende druk van termijn-aflossing en rente-betaling. Ik heb ze ontmoet, bij wie iedere lust tot arbeid uitdoofde; die zich opgejaagden prooi voelden en die niets anders meer wisten, dan dat zij leefden voor termijn en rente. Het verleidelijk-groote sommetje en het crediet dat zij kregen, heeft ze tot den ondergang gesleurd.

Ziedaar het schuldenleed zoals gerapporteerd door Querido, misère die zich voordeed in de Amsterdamse volkswijk De Jordaan in de eerste decennia van de twintigste eeuw.

Het wordt tijd dat ik die historische ellende loslaat. Ik wil nu met u een aantal a-historische fenomenen doornemen die zich bij de schuldenproblematiek doen gelden. Ik bedoel daarmee fenomenen die van alle tijden zijn, die onlosmakelijk met het mens-zijn zijn verbonden.

Het eerste fenomeen: zelfzucht. Let op: ik zeg ‘zelfzucht’ en niet ‘hebzucht’. Over hebzucht plaats ik aan het eind van mijn voordracht een opmerking. Ik wil het eerst hebben over zelfzucht.

Die term komen we tegen bij de Amerikaanse denker Francis Fukuyama. In zijn boek Welvaart [vertaling van de oorspronkelijke uitgave Trust (1995)] spreekt hij van de ‘rauwe zelfzucht van de menselijke natuur’. ‘Ondanks hun verscheidenheid,’ betoogt hij,

Ondanks hun verscheidenheid proberen alle culturen op de een of andere manier de rauwe zelfzucht van de menselijke natuur in toom te houden door ongeschreven morele wetten.

Ik durf nu de volgende stelling aan: in tijden van hoogconjunctuur komen die ongeschreven morele wetten in het gedrang. Een dolgedraaid financieel optimisme gaat in zulke tijden de boventoon voeren, optimisme dat uiteindelijk zal blijken vals te zijn.

Men kan financieel te optimistisch zijn, maar men kan ook vervallen in een te vergaand pessimisme. Hiermee raken we aan de geestelijke labiliteit van mensen. Maarten van Rossem gebruikte die term toen hij schreef dat mensen bij economische voorspoed geneigd zijn te denken dat de bomen tot in de hemel groeien en bij de geringste economische tegenspoed dat het eind der tijden nabij is. Deze geestelijke labiliteit gaat niet samen met een verstandige omgang met geld.

Die zelfzucht en geestelijke labiliteit zijn nooit helemaal uit te roeien, ben ik bang, hoe goed financiële opvoeders ook hun best doen. Hetzelfde geldt voor het derde fenomeen: de drang tot statusdemonstratie.

De naam Jon D. Wisman moet vallen. Wisman, hoogleraar aan de American University in Washington, heeft geprobeerd de haperende Amerikaanse spaarzin te verklaren (die inmiddels trouwens al wat minder hapert, maar dit terzijde). Wisman brengt die gebrekkige spaarzin in verband met een pregnant kenmerk van de Amerikaanse cultuur: het betonnen geloof in de American Dream. Naar hun eigen rotsvaste overtuiging maakt Amerika het Amerikanen mogelijk flink op de sociale ladder te stijgen.

Amerikanen, zo betoogt Wisman, denken als volgt: prestige en status liggen binnen ieders bereik en zijn voor ieders eigen rekening; iemands achtenswaardigheid staat of valt met zijn of haar status. Dit betekent, aldus Wisman, dat er op ‘statusdemonstratie’ een beloning staat. Hierdoor voelt de ‘gewone’ man of vrouw zich onwillekeurig gedwongen consumptie na te streven op het niveau van maatschappelijk hogergeplaatsten, wat ten koste gaat van de spaarzin.

En, zo kun je daaraan toevoegen, wat het maken van schulden in de hand werkt. Nu kun je natuurlijk tegen mensen zeggen: het demonstreren van je status – waar heb dat nou voor nodig? – maar ik zeg dan: die neiging is menselijk, al te menselijk.

Aan het begin van dit betoog noemde ik de eerste roman van Querido’s Jordaan-cyclus. Dat verhaal speelt zich af rond 1900. In die tijd was statusdemonstratie natuurlijk ook een niet zelden gezien tafereel.

We gaan ons bezighouden met de begin-twintigste-eeuwse pandjeshuizen. Die pandjeshuizen rekruteerden hun klanten uit de lagere maatschappelijke regionen, en dan met name uit de allerlaagste. Mensen die op een iets hogere sociale sport stonden, de ‘nette’ arbeiders, de meest vooraanstaande knechten, de vaklui die zich burger voelden, probeerden uit alle macht het pandjeshuis te mijden. In deze kringen hield men zijn stand op, wat onder meer betekende dat men zich op zondag niet in werkkleren kon vertonen.

Dit alles volgens Auke van der Woud, die in zijn prachtige boek Koninkrijk vol sloppen (2010) een paragraaf aan pandjeshuizen wijdt. Tot slot van die paragraaf haalt hij een negentiende-eeuwse bron aan: ‘De werkman, die zondags thuis moet blijven, omdat zijn beste kleeren zijn beleend, is moreel vermoord en zijne kinderen deelen in die zedelijke daling.’

Van der Woud is niet helemaal volledig. De ‘nette’ arbeiders probeerden het pandjeshuis inderdaad te mijden, maar daarmee is nog niet gezegd dat zij altijd in die opzet slaagden. Als zij aan het werk waren, zal hun zondagspak vaak wel degelijk bij de pandjesbaas hebben gehangen.

De pandjeshuizen hadden vooral weekklanten, deelnemers aan de bestaansstrijd die elke maandag hun zondagspak inruilden voor een voorschot van zeg drie gulden. Elke zaterdag, als er geld was binnengekomen, haalden ze dit pak weer op om het de volgende dag te kunnen dragen. Op die zaterdagen werd het voorschot terugbetaald en werden rente, ‘hanggeld’ en administratieloon verrekend. De kosten voor het wekelijkse voorschot van drie gulden konden op die manier oplopen tot twaalf gulden per jaar. Duur krediet.

Duur krediet dat men zich veroorloofde om met een net kostuum op zondag zijn status te demonstreren.

Ik blijf nog even hangen bij Van der Wouds Koninkrijk vol sloppen. De auteur zegt daarin:

Vergeleken met ruim honderd jaar geleden is elke Nederlander nu welvarend, ook de arme.

Je kunt Van der Woud moeilijk ongelijk geven. Van de overlevingssamenleving, die we in Querido’s tijd waren, hebben we ons ontwikkeld tot de consumptiesamenleving die we nu zijn. Hoe je het ook wendt of keert: dat is toch vooruitgang. Stak men zich vroeger in de schulden om zijn stand op te houden met een zondagspak, tegenwoordig doet men dat om zijn status bevestigd te krijgen met een eigen huis.

Beste mensen, het einde van mijn voordracht is nabij. Ik zou nog iets zeggen over hebzucht. Ik doe dat door Arnold Grunberg te citeren. Grunberg schreef:

Hebzucht heeft meer voor deze wereld gedaan dan al het medelijden bij elkaar.

Grunbergs wereld is een harde wereld. Maar dat hebzucht helemaal geen positieve kanten zou hebben, wil er ook bij mij niet in.

Nog meer Grunberg. Grunberg is nogal gecharmeerd van David Graebers boek Schuld (2011). Naar aanleiding hiervan heeft hij twee dingen gezegd waaruit blijkt dat hij tot de essentie van Graebers betoog is doorgedrongen:

  • ‘Vooruitgang is alleen mogelijk wanneer wij geld uitgeven dat wij nog niet hebben.’
  • ‘Geld is een schuld die nooit wordt geïnd.’
David Graeber. By Guido van Nispen from Amsterdam, the Netherlands [CC BY 2.0], via Wikimedia Commons.

Nog een laatste opmerking over de sociaal-antropoloog van wie Grunberg zo onder de indruk is, David Graeber. In zijn boek herinnert deze auteur ons eraan dat het betalen van je schulden niet het wezen van de moraal uitmaakt. Schuld en ook de sanering of zelfs kwijtschelding daarvan horen bij het leven. Ik dank u voor de aandacht.

2. Toegift: Krediet van Simon en Rosie

Begin februari 2011 schreef ik voor de website van De Telegraaf de column ‘Microkrediet rond 1900’:

De wetgever is bezig de Pandhuiswet op te poetsen. Deze wet werd honderd jaar geleden ingevoerd om woekerpraktijken tegen te gaan.

Ben ik een echte verzamelaar? Het moet ernstig worden betwijfeld. Iemand voor wie verzamelen een levensvervulling is, iemand die vindt ‘Ik verzamel, dus ik ben’… nee, zo iemand ben ik niet. Toch word ook ik bij tijd en wijle gedreven tot de jacht op zeldzame spullen.

Laatst werd mijn jagersinstinct uit zijn dommel gewekt toen ik in een oude krant de roman Wolven in menschengedaante tegenkwam. Ik bekeek die krant voor mijn onderzoek naar misstanden in het pandhuiswezen, die de Nederlandse wetgever inspireerden tot invoering van de Pandhuiswet (1910).

De Pandhuiswet, die de ‘kleine man’ bescherming moest bieden tegen woekerende pandjesbazen, heeft honderd jaar bestaan zonder ooit te zijn aangepast aan veranderde omstandigheden. Pas sinds kort worden stappen gezet ter modernisering van de wet. In een volgende column ga ik hier dieper op in. Eerst kijk ik met u naar het verleden. Ons doel is iets te weten te komen over de woekerpraktijken die aanleiding waren voor het ontstaan van de wet.

Het boek Wolven in menschengedaante dient ons hierbij tot bron. Na een internetzoekactie tikte ik het vrij gemakkelijk op de kop. Ik geef u de volledige titel: Wolven in menschengedaante. Roman uit het woekeraarsleven. Auteur was L. Hamme, die met het boek in 1910 zijn debuut maakte.

De roman heeft een voorrede van Johan J. Belinfante. Belinfante was voorzitter van de Nationale Vereniging tot Bestrijding van de Woeker. Deze instelling heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de Pandhuiswet. Belinfante verzekert de lezer dat de goed gedocumenteerde Hamme uitsluitend bestaande toestanden schildert.

De wolven in mensengedaante heten Simon en Rosie. Zij vormen een echtpaar dat in Schiedam een pandjeshuis exploiteert. De cliëntèle bestaat hoofdzakelijk uit vrouwen.

Wekelijks komen de klantjes hun panden aanbieden. Hun echtgenoten hebben er, als zij zich op zondag in hun beste pak steken, meestal niet het flauwste vermoeden van dat deze kleren op maandag in het pandjeshuis belanden. Zodra de arbeidsman op zaterdag zijn loon heeft afgedragen, spoedt de huisvrouw zich daarmee ongemerkt naar het pandjeshuis om het zondagspak te ‘lossen’. De hele gang van zaken levert de vrouw een luttel bedrag aan krediet op, waarmee ze door de week eten moet kopen. Zij is hanggeld en rente verschuldigd (doorgaans 5 procent). Kan zij haar schuld aan het ‘woekerpaar’ niet ten volle inlossen, dan wordt er over haar achterstand 25 procent rente in rekening gebracht. Een van de vrouwen in de roman raakt door de pandjespraktijk zo diep in de financiële puree dat zij uit wanhoop zelfmoord pleegt.

Vorige week viel mijn oog op een bericht in de krant: om de zelfmoorden een halt toe te roepen, zouden microkredietverstrekkers in de Derde Wereld zich aan strenge anti-woekerregels moeten onderwerpen.

Onwillekeurig moest ik denken aan het slachtoffer uit die roman.


Van Arnon Grunberg verscheen: Alle voetnoten (Nijgh & Van Ditmar).


Arnon Grunberg figureert in een column die ik schreef voor Tijdschrift voor Biografie: Knippen & scheren.