De Orwell-fanaat

Maandag 3 maart 1980 werd ik 29. ’s Morgens in de vroegte hielp de wekkerradio me uit mijn slaap. De geluiden van Radio Stad vulden mijn Amsterdamse studentenkamer. Er was een nieuwsuitzending aan de gang. De presentator schakelde net over naar een verslaggever op locatie. Deze slingerde een sensationeel bericht de ether in. Met de inzet van tanks en pantserwagens was een politiemacht bezig het kraakpand Vondelstraat 72 te ontruimen. ‘Erop af!’ dacht ik, nog in bed liggend, ‘laat ook ik me aangorden voor de strijd tegen de gevestigde stadsorde.’ Nee, gekheid… dat dacht ik helemaal niet. Ik hoorde het nog tien minuten aan. Toen zette ik de wekkerradio uit, draaide me op mijn favoriete zij en lag in een mum van tijd weer verzonken in het dal ‘Waar Heerst De Milde Dood’.

Waarmee ik maar wil zeggen dat ik begin jaren tachtig niet zo’n activist was. Ik ben het ook nooit geworden.

1980: Krakersrellen te Amsterdam, oude filmbeelden. Video: Amsterdam — Verzamelde Historische Filmbeelden. Gepubliceerd op 2 november 2017. https://youtu.be/MRim2wMPY8A

Als ik me in die tijd verre hield van elke vorm van gepraktiseerd activisme, wat deed ik dan wel? Antwoord: sociologie studeren (aan de UvA). Althans tot 1985, want toen haalde ik de eindstreep. Wis en waarachtig deed ik wat aan de studie, ik heb die per slot van rekening netjes afgemaakt, hoewel het tempo waarin ik dat deed aan de lage kant was. Maar als ik in gedachte terugkeer naar mijn tijd als kamerbewoner in de stadswijk Bos en Lommer, dan verschijnt voor mijn geestesoog toch vooral een kalende dertiger die in een morsige leunstoel boeken zit te lezen die in geen enkele studiegids van de Faculteit der Sociale Wetenschappen te vinden zijn. Met name voor de schone letteren ontwikkelde ik een passie.

Betere socioloog

Nu ik dit vertel, dringt één naam zich vooral aan me op, die van de Franse schrijver Gustave Flaubert. Van hem las ik alles wat ik in vertaling te pakken kon krijgen. De verleiding is groot u in dit blogbericht te vergasten op een potpourri van Flaubert-citaten. Geen zorgen, daarvan zie ik af. Maar één citaat wil ik u niet onthouden. Het staat in Flauberts formidabele correspondentie. Een selectie hieruit was destijds nog maar pas in het Nederlands voorhanden. In de marge voorzag ik de betreffende passage van een vette potloodstreep. U kunt dit vast begrijpen, als u zich realiseert dat ik in de jaren tachtig een ‘bios theoretikos’ cultiveerde en mij distantieerde van een ‘bios praktikos’. Ik citeer:

Beschouw het leven, de hartstochten en uzelf als een object voor intellectuele oefeningen. U bent verontwaardigd over ’s werelds onrecht, laagheid en tirannie, over alle vunzige en walgelijke kanten van het bestaan. Maar kent u die wel goed? heeft u alles bestudeerd? […] Het gaat er niet om […] [de mensheid] te veranderen, maar haar te leren kennen. […] Lees veel.

Een andere auteur die ik gretig las, was George Orwell. Hij werd me aangereikt door hoogleraar Joop Goudsblom, bij wie ik in de doctoraalfase ‘in de bankjes’ zat. Van Goudsbloms colleges zal ik er weinig hebben overgeslagen. Het aantrekkelijke was dat Goudsblom, die aan de UvA de vakgroep Sociologie en Geschiedenis onder zijn hoede had, zelden of nooit een sessie voorbij liet gaan zonder de enge vakgrenzen van de sociologie te overschrijden. Wilden we leren goed te schrijven? Dan waren we verplicht elke avond een uur Karel van het Reve te lezen. Volgens Goudsblom was George Orwell een veel betere socioloog dan allerlei academische vaksociologen: ‘Diens vier delen Collected essays, journalism and letters — aanbevolen!’

George Orwell drawing black&white. Attribution: Bernd Pohlenz [CC BY SA 3.0].

Ik honoreerde die aanbeveling, werd een Orwell-fanaat, die niet alleen zijn neus in die Collected essays stak, maar ook in de rest van het oeuvre.

Aspidistra

Van Orwells romans verschafte Keep the aspidistra flying (in het Nederlands vertaald als Houd de sanseferia hoog) me het meeste leesgenot. Meer dan de andere romans, inclusief Nineteen eighty-four, bracht Keep the aspidistra flying effecten van meewarigheid teweeg. Ik kon het verhaal op mezelf betrekken, mijn eigen denkwereld, mijn eigen situatie. Het wekte nieuwsgierigheid en spanning op; het deed een beroep op mijn invoelingsvermogen, zette afwisselend bewondering en afkeer in werking.

Attribution: John Damos [CC BY-SA 4.0].

In 2007 — jaren na mijn afstuderen als socioloog en ook geruime tijd na voltooiing van nog een tweede studie (Bibliotheek & Documentaire Informatie; Hogeschool Amsterdam) zong ik in het openbaar de lof van Orwells roman. Ik deed dat in een causerie voor het Geldmuseum (Utrecht). Onderstaand verhaal is een licht bewerkte versie van die causerie.

Anti-geldtirades

Van de vaderlandse dichtervorst J.C. Bloem is de uitspraak: ‘Het is niet dat verdomde geld, maar dat verdomde géén geld.’ Bloem kon het weten. Mede door het financiële bankroet van zijn gefortuneerde ouders was deze verwende burgemeesterszoon veroordeeld tot het bestaan van een armoedzaaier. Dit weerhield hem er niet van enorme schulden te maken, vooral bij boekhandels en slijterijen. Over afbetalen peinsde dit paradepaard van de Nederlandse dichtkunst niet. Zonder scrupules zadelde hij hiermee zijn vrienden op. Als hij er zelf beter van werd vond hij liefdadigheid de normaalste zaak van de wereld.

Sommige collega’s van Bloem, hoezeer ook net als hij geplaagd door geldgebrek, waren uit ander hout gesneden. Neem Gordon Comstock, een in 1905 geboren Brit, auteur van de bundel Mice, bij verschijnen in 1932 door Times Literary Supplement ‘buitengewoon veelbelovend’ genoemd. Met deze dichter laat ik u hier kennismaken. Comstock heeft een aantal geldaforismen op zijn naam staan, waaronder het volgende over liefdadigheid:

Hoe fijngevoelig het ook gecamoufleerd mag worden, liefdadigheid blijft gruwelijk; er heerst altijd een zekere onbehaaglijkheid, iets dat grenst aan heimelijke haat, tussen schenker en ontvanger.

Een paar jaar na het verschijnen van zijn veelbelovende bundel, toen hij uiterst armlastig was, moet Comstock zijn principes aangaande liefdadigheid voortdurend ook op zichzelf hebben betrokken. In kringen van poëzieliefhebbers doet nog steeds het verhaal de ronde dat ‘onze’ dichter in die moeilijke periode altijd categorisch weigerde zich door zijn rijkere vriendin Rosemary te laten trakteren. Hij moet eens tegen haar hebben gezegd:

Ik heb het geld de oorlog verklaard en ik moet me houden aan de regels. En de eerste regel is dat ik geen liefdadigheid mag aannemen.

Ik zal er niet langer omheen draaien, Gordon Comstock is een fictieve dichter, hij heeft in werkelijkheid nooit bestaan. Hij is een romanheld van Orwell. George Orwell, vooral bekend als de auteur van Nineteen eightyfour, portretteert Comstock in een van zijn andere romans, Keep the aspidistra flying. De eerste editie van dit boek verscheen in 1936, bij de Londense uitgever Gollancz. Het is in het Nederlands vertaald als Houd de sanseferia hoog. Voor deze causerie herlas ik de tweede druk van de vertaling van Else Hoog, in 1983 uitgegeven door Meulenhoff.

In het vervolg van mijn betoog citeer ik veel. U moet hierbij bedenken dat Orwells roman speelt in het Engeland van de jaren 1934-’35.

Aspidistra. Attribution: Nino Barbieri [CC BY-SA 3.0].

Als de lezer met hem kennismaakt heeft Gordon Comstock net ontslag genomen bij een reclamebureau, dat hem tot zijn meest succesvolle copywriters rekende. Werkend in een achterafboekhandeltje heeft hij alle eerzucht afgezworen. Hij maakt zichzelf wijs als dichter en niet als burgerman door het leven te moeten. Op die manier heeft hij het geld de oorlog verklaard. Met de mensen die zich schuldig maken aan de verering van het geld heeft hij geen greintje affiniteit.

De eerbied voor geld is verheven tot een religie. Misschien is het wel de enige werkelijke religie, de enige werkelijk doorvoelde religie die we nog hebben. Geld is wat vroeger God was. Goed en kwaad betekenen niets anders meer dan slagen en mislukken. De tien geboden zijn teruggebracht tot twee geboden. Een voor de werkgevers, de uitverkorenen, de geld-clerus als het ware, ‘Gij zult geld verdienen’; en een voor de werknemers, de slaven en horigen, ‘Gij zult uw betrekking niet kwijtraken’.

De geldgod aanbidden betekent in Gordons ogen: gesetteld zijn; hogerop komen; je ziel verkopen voor een villa en een sanseferia; in zo’n typisch gluiperdje met een bolhoed veranderen, zo’n dociel manneke dat met de bus van kwart over zes wegglipt naar huis, naar zijn avondmaal met sudderlapjes en compôte uit blik, dat nog een half uurtje naar het BBC Symfonieconcert luistert en dan misschien tot slot zijn vrouw mag pakken, als die tenminste ‘in de stemming’ is.

Comstock is een romanfiguur naar mijn hart. Ik ben socioloog, en daarmee heeft het veel te maken. Het komt voor een groot deel doordat het Comstock allerminst aan sociologisch inzicht ontbreekt. Meer dan eens geeft hij er blijk van te beseffen wat geld in feite is, een middel tot deelname aan het sociaal verkeer. Wie het bezit doet mee, voor wie er gebrek aan heeft dreigt het isolement.

Alles draaide om geld. Iedere menselijke relatie moet je kopen met geld. Als je geen geld hebt zullen de mannen niet om je geven en de vrouwen niet van je houden. Als je geen geld bezit ben je niet beminnenswaard.

Geldgebrek leidt volgens Comstock bovenal tot eenzaamheid. Met twee pond in de week, stelt hij vast, kun je toch niets anders dan eenzaam zijn? Als je maar zo weinig verdient wordt de omgang met andere mensen gecompliceerd.

Dat is het ergste van arm zijn, het eeuwig terugkerende: de eenzaamheid. Avond na avond terugkomen op die godverlaten kamer, altijd alleen.

Kortgeleden nog stipte ik het al aan: Comstock heeft een vriendin. Hij ziet zijn Rosemary, die van zijn hospita niet op zijn kamer mag komen, slechts af en toe. Bedrijft hij met haar de liefde? Nee, volgens hem wil ze niet omdat hij geen geld heeft.

Bij hun ontmoetingen staat in Comstock geregeld de plaaggeest op. Zo bijvoorbeeld als hij de vrouwen in Engeland bestempelt als de grote aanstichters van het kwaad.

Geld, geld, alles draait om geld! Vrouwen! Ze bederven al onze ideeën! Want je kunt nu eenmaal niet zonder vrouw en alle vrouwen dwingen je dezelfde prijs te betalen. ‘Leg je fatsoen af en ga meer geld verdienen’, zeggen de vrouwen. ‘Leg je fatsoen af, lik de schoensmeer van de schoenen van je baas en koop voor mij een mooiere bontjas dan die vrouw van hiernaast heeft.’ Elke man heeft zo’n vervloekte vrouw om zijn nek hangen als een zeemeermin die hem steeds verder de diepte in sleurt: naar zo’n afstotelijk huisje in Putney, twee onder een kap, met meubilair op afbetaling en een draagbare radio en een sanseferia in de vensterbank. Uiteindelijk is alles de schuld van de vrouwen. Want de vrouwen zijn degenen die geloven in de geld-code. De mannen gehoorzamen alleen maar; ze moeten wel, hoewel ze er niet in geloven. De vrouwen houden het systeem in stand. De vrouwen met hun villa’s in Putney en hun baby’s en hun sanseferia’s. Een vrouw heeft bepaalde mystieke gevoelens ten opzichte van geld. Voor een vrouw betekenen goed en kwaad niets anders dan geld of geen geld.

Er zijn er vast onder u die vinden dat het sociologisch inzicht van de romanheld hier toch enigszins hapert. Enfin, het loopt goed met Comstock af. Als het boek uit is heeft hij zich tot de geldgod bekeerd, tot de wereld van de burgerluitjes die zich settelen en hogerop komen. Als we Houd de sanseferia hoog met een gevoel van spijt terzijde leggen is Gordon Comstock een ‘ordelievende soldaat in het spitsuur-leger’ geworden. Dat is bij lange na niet zonder slag of stoot gegaan. Comstock maakt pas volte face na praktisch zijn eigen ondergang te hebben bewerkstelligd. Als hij vlak voor die afdaling in het diepste der dalen staat, dringt zich aan hem een visioen op van de ‘hele westerse wereld’:

Hij zag duizend miljoen slaven zwoegen en zich vernederen voor de troon van het geld. De aarde wordt omgeploegd, schepen varen uit, mijnwerkers zweten in druipende ondergrondse tunnels, klerken rennen om de trein van 8u15 te halen, verteerd door angst voor hun baas. En  zelfs als ze met hun eigen vrouw in bed liggen beven ze en gehoorzamen. Gehoorzamen wie? De geld-priesters, de meesters van de wereld, met hun roze koppen. De Upper Crust. Een chaos van gladde jonge konijnen met automobielen van duizend guineas, van golfspelende effectenmakelaars en wereldwijze financiers, advocaten in de Chancery en modieuze nichten, bankiers, krantenmagnaten. Amerikaanse boksers, vrouwelijke piloten, filmsterren, bisschoppen, adellijke dichters en moordenaars uit Chicago.

Einde citaat, einde verhaal.


In 2000 schreef ik voor Historisch Nieuwsblad: ‘”Nogal uit de hoogte en een beetje een snob”. George Orwell in Wigan en Wallington’.

In 2011 plaatste genoeg.nl van mijn hand: ‘Geld als religie’.

In 2013 publiceerde ik in Tijdschrift voor Biografie: ‘George Orwell en de kunst van het sterven’.