Salarisverhoging? Patser! Breng terug!

ING zwicht voor de zware maatschappelijke en politieke druk en trekt de omstreden verhoging van de beloning van topman Ralph Hamers in. De raad van commissarissen van de bank wilde zijn totale beloning met de helft verhogen naar 3 miljoen euro, maar ziet daarvan af onder druk van de felle reacties die dat voorstel teweegbracht in politiek en maatschappij.

Aldus een bericht in de Volkskrant vanmorgen, dinsdag 13 maart 2018. De storm gaat dus liggen, zoals columnist Bert Wagendorp in diezelfde Volkskrant al vaststelde. Mij beviel die storm wel. Hij blies me terug naar de tijd dat ik uitgroeide tot een Voskuil-fanaat. Het oeuvre van de schrijver J.J. Voskuil vormde zich voor het grootste deel in de jaren 1990, toen de meeste romans van de cyclus Het Bureau verschenen. De eerste roman van de cyclus, Meneer Beerta, las ik in 1996, tijdens een vakantie in het Franse Metz. De verslaving sloeg meteen toe. Uit Meneer Beerta sprak een unzeitgemäße mentaliteit. In de tijdgeest gaf materialisme de toon aan en daar ging de roman lijnrecht tegenin — met mijn instemming.

Afgelopen weekend weer enkele ‘uren met Voskuil’ doorgebracht: gegrasduind in zijn romans, in mijn lezingenarchief naar zijn sporen gezocht. En warempel, uit dat archief kwam een tekst tevoorschijn waarin ik hem ter sprake breng. Die tekst is van een lezing die ik begin februari 2011 gaf voor een gezelschap in het Geldmuseum (Utrecht), destijds mijn werkgever. Titel van mijn lezing: ‘Carrière maken, geld verdienen? Zonde van de tijd!’.

Die lezing wil ik hier met u delen.

Levensinstelling

Voorjaar 2010 [zo sprak ik dus in februari 2011] publiceerde de schrijver Theo Kars het eerste deel van zijn memoires. Dit is niet onopgemerkt gebleven. Afgelopen zaterdag kwam uit mijn onvolprezen archief een tiental persreacties tevoorschijn. Stuk voor stuk vermelden deze krantenartikelen Kars’ betrokkenheid in de jaren 1960 bij geruchtmakende fraudeaffaires. Zoals in de opgediepte stukjes naar voren komt, faalde Kars destijds in zijn pogingen uit handen van justitie te blijven. Hij liep tegen de lamp, en kreeg een zware gevangenisstraf opgelegd.

Boekenbal in Krasnapolsky te Amsterdam, v.l.n.r. Theo Kars (schrijver), diens echtgenote Karin B., Adriaan Morrien (schrijver) en Metten Koornstra (beeldend kunstenaar), 23 februari 1972. Beeld: Rob Mieremet (ANEFO) [CC0], via Wikimedia Commons.

Over een van de fraudeaffaires waarbij Kars betrokken was, gaf ik ooit een lezing. Voor het begin van mijn causerie ga ik die oude lezing schaamteloos plunderen. Maar eerst nog even terug naar dat eerste deel van Kars’ memoires. In de hoofdstukken over zijn middelbareschooltijd leren we de jonge Kars kennen als een gretig lezer. Zijn favoriete boek is Quo Vadis, een historische roman van de Poolse schrijver Henryk Sienkiewicz. Kars hierover in de memoires:

Er is geen boek dat mijn ontwikkeling als individu zo heeft versneld als Quo Vadis. Ik trof er het basispakket in aan van mijn levensinstelling: hedonisme, atheïsme, desinteresse in een maatschappelijke carrière, de wens altijd de regie over mijn leven te behouden en het voornemen zelfmoord te plegen als het onleefbaar zou worden.

Een van de elementen in het ‘program des levens’ van Theo Kars wil ik hier highlighten: zijn desinteresse in een maatschappelijke carrière. In die oude lezing van mij kwam die desinteresse ook al naar voren.

Een citaat om te beginnen:

Februari 1964 lichtte een groep vrienden uit het studentenmilieu de PTT op. Op meer dan zestig PTT-kantoren in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht werden in enkele weken tijd rond de 550 met valse stempels bedrukte postwissels verzilverd. Opbrengst voor de vriendengroep: iets minder dan honderdduizend gulden. Het aanstormende literaire talent Boudewijn van Houten stond hoog in de hiërarchie van deze vriendengroep. Maar een ander bekleedde de leiderspositie. Dat was Theo Kars.

Deze absolutistische leider wordt genadeloos geportretteerd in de autobiografische roman die handlanger Boudewijn van Houten over de fraudeaffaire schreef, getiteld Onze hoogmoed. De auteur laat zijn personages Van Dommelen (= Van Houten) en Aerts (= Kars) in de roman naar voren komen als op geld beluste jongemannen die niets willen weten van een maatschappelijke carrière. Ze weigeren beiden categorisch zich te verkopen aan de een of andere werkgever. Ze zeggen beiden er geen been in te zien het geld dat ze nodig hebben, desnoods te stelen.

Boudewijn van Houten, 2011. Beeld: Jan Zandbergen [CC BY-SA 4.0], via Wikimedia Commons.

Kars is in Onze hoogmoed de man die voor de vriendengroep denkt. In alles wordt zijn visie de visie van zijn ondergeschikten, Van Houten incluis. Kars’ ideeëngoed wordt in de roman breed uitgemeten. Waar komt het op neer? Laten we het puntsgewijs onder de loep nemen.

  • Genot is deugd.
  • Je moet nooit de dupe worden van anderen, je nooit door mensen laten hinderen.
  • Je moet doen waar je zin in hebt en zorgen dat je aan het geld komt dat je daarvoor nodig hebt.
  • Met geld moet je smijten.
  • Van lenen word je alleen rijker als je niet teruggeeft. Geef dus niet terug.
  • Richt niet je uitgaven naar je inkomsten, maar je inkomsten naar je uitgaven.
  • Zorg dat je voor je dertigste uit de financiële zorgen bent.

Citaat uit Onze hoogmoed:

Het is noodzaak juist als je jóng bent, geld te bezitten. De meeste mensen krijgen het te laat. Wat heb je eraan het pas te krijgen als je impotent begint te worden? Wat heb je eraan pas mooie kleren te kopen als je lichaam lelijk begint te worden?

Goed, geachte toehoorders, ziehier een moraal die er niet om liegt. Bij deze moraal ligt de misdaad vlak om de hoek. In Onze hoogmoed wordt het in de groep-Kars al snel de gewoonte op grote schaal boeken te roven. Deze boeken worden verkocht aan antiquariaten. Wordt hier redelijk aan verdiend, in vergelijking met wat komen gaat is het klein bier. Ik doel met dat laatste natuurlijk op die postwissel-fraudezaak. Ik treed daarover nu niet verder in details. In die oude lezing deed ik dat wel: u kunt het thuis op uw gemak nalezen op internet.

Hier en nu gaat het mij om de moraal die de auteur van Onze hoogmoed Theo Kars in de schoenen schuift. In die moraal voeren consumentisme, genotszucht, individualiteit, onmatigheid en vrijheidsdrift de boventoon. Je kunt van de Kars uit Van Houtens roman zeggen wat je wilt, maar één ding absoluut niet: dat hij zich laat leiden door de aloude protestants-puriteinse geest van spaarzaamheid en noeste arbeid. Zijn moraal staat daar juist haaks op.

Ik wil nu een vraag de zaal in slingeren: Zijn wij niet allemaal ver verwijderd geraakt van die protestants-puriteinse ethiek? Zijn wij niet allemaal ‘theo karsjes’ geworden, al draven we misschien niet zo door in het misdadige? Zelf zou ik zeggen: Ja, maar zo bont als de Amerikanen hebben wij het in Nederland de afgelopen decennia op geen stukken na gemaakt.

Ha, beste mensen, ik ga een mooi moment beleven. Ik mag een onderwerp aansnijden waarover ik bij voorkeur pleeg uit te weiden. Het betreft de Amerikaanse cultuur.

Materialistisch tijdperk

Al enige tijd ben ik verzonken in een weldoorvoede roman — hemel, als ik niet oppas wordt dit een bellettrie-college –, Casino van Marja Brouwers. Die roman schildert de jaren 1990, aangeduid als ‘het materialistische tijdperk’.

Een personage in Casino geeft als volgt uiting aan zijn lage dunk van Amerika:

Iedereen weet dat de Amerikaanse cultuur een iets hoger IQ zou kunnen gebruiken.

Een ander personage voegt hieraan toe:

In Amerika kun je Franse kaas verkopen en Franse wijn, maar met Franse dichters kun je alleen kakkerlakken doodslaan.

Dit is te vinden bij Marja Brouwers; het nu volgende komt uit mijn eigen koker.

Een pregnant kenmerk van de Amerikaanse cultuur is het betonnen geloof in de American Dream. Naar hun eigen rotsvaste overtuiging maakt Amerika het Amerikanen mogelijk naar grotere hoogten op de maatschappelijke ladder te stijgen. Amerikanen menen het van krantenjongen tot miljonair te kunnen brengen, flink carrière te kunnen maken, schat-hemeltje-rijk te kunnen worden of hoe je het verder nog wilt noemen.

Amerikanen denken als volgt: prestige, status en een lucratieve carrière liggen binnen ieders bereik en het is een kwestie van eigen verantwoordelijkheid om dat moois te realiseren; iemands achtenswaardigheid staat of valt met zijn of haar carrière, prestige, status. Dit betekent dat er op ‘statusdemonstratie’ een beloning staat. Hierdoor voelt de ‘gewone’ man of vrouw zich onwillekeurig gedwongen consumptie na te streven op het niveau van maatschappelijk hogergeplaatsten zonder zo rijk te zijn als die sociaal bevoorrechten.

Dit culturele gegeven moeten we erbij slepen als we willen verklaren hoe in Amerika de kredietverslaving heeft kunnen uitgroeien tot volksvijand nummer één. Massa’s mensen voor wie een lucratieve carrière niet was weggelegd, maar die zich niettemin gedwongen voelden consumptie na te streven op het niveau van de sociaal sterkeren, gingen ter bekostiging hiervan grijpen naar de creditcard.

François Bayrou. Beeld: Rama [CeCILL or CC BY-SA 2.0 fr], via Wikimedia Commons.

In Amerika is men van één ding diep overtuigd: dat het in het leven draait om het hebben van geld. De centrumlinkse politicus François Bayrou heeft in dit verband al eens gewezen op het fundamentele verschil tussen Amerika en zijn eigen land Frankrijk. In Frankrijk, aldus Bayrou, is succes meer dan aan de vraag of men geld heeft gekoppeld aan de vraag of men iemand is:

Geld kan in Frankrijk geen werkelijke waarde zijn. In de Franse nationale traditie is een groot geleerde, een filosoof, meer waard dan een miljardair.

Rijk worden

Van Frankrijk terug naar Amerika. Daar is het geloof in de American Dream er bij de mensen niet uit te branden. Ook de ondernemer-investeerder-adviesboekenschrijver Robert T. Kiyosaki doet van dit geloof in de verste verte geen afstand. Kiyosaki schreef Rich dad, poor dad, dat vertaald als Rijke pa, arme pa ook in Nederland een bestseller werd.

Robert Kiyosaki speaking at a gala event. Beeld: Gage Skidmore from Peoria, AZ, United States of America [CC BY-SA 2.0], via Wikimedia Commons.

De uitgangspunten van dit boek zijn even simpel als volmaakt Amerikaans: iedereen kan rijk worden en iedereen heeft daar recht op. Alles goed en wel, maar het probleem is natuurlijk hoe je dat doet, rijk worden. Kiyosaki’s antwoord luidt: ‘Volg het geheim van de rijken!’ Dat geheim komt volgens Kiyosaki neer op twee dingen:

  • Je moet niet werken voor geld; werken voor geld – dat doen die dommerds uit de lagere- en middenklasse, terwijl rijke mensen hebben geleerd geld voor hén te laten werken; kortom: word investeerder, zorg voor inkomen uit beleggingen!
  • Het moet die kant op, omdat de overheid het inkomen waarvoor jij hard werkt hoger belast dan het inkomen waarvoor je geld hard werkt; rijke mensen betalen een minimum aan belasting; te veel belasting betalen is weer typisch iets voor de dommen, de mensen uit de lagere- en middenklasse.

Ach, die Kiyosaki… Ik verkeer weleens in het gezelschap van fans van hem. Om die te pesten, mag ik dan graag een uitspraak van de Nederlandse econoom Jan Pen aanhalen:

Ik erger me niet aan zichzelf verrijkende bankiers, integendeel: hoe meer miljonairs, hoe beter; op voorwaarde dat ze zeventig procent belasting betalen.

En om  de Kiyosaki-fans helemaal in de gordijnen te jagen, doet het me vervolgens altijd veel genoegen uit te weiden over het rente- of woekerverbod dat van kracht was in de christelijke wereld van de middeleeuwen. Ik kom dan te spreken over Thomas van Aquino. Deze wijsgeer en theoloog beweerde dat hard werken past bij de aard van de mens. Zo heeft God het bepaald. De woekeraar, die in plaats van te werken voor zijn brood, uit geld meer geld maakt, keert zich tegen wat God met hem voorheeft.

Laat ik voor u, beste mensen, proberen dat middeleeuwse woekerverbod nog wat inzichtelijker te maken. Het lijkt misschien vergezocht, maar het draaide om dat harde werken. Het zwoegen dat een mens deed in de middeleeuwse wereld, bepaalde zijn maatschappelijke positie in een onveranderlijke hiërarchie. Maar de rente veranderde de zaak. Door de rente was het geld geen eenvoudige, stabiele aangelegenheid meer. In de loop van de tijd vermenigvuldigde het zich. Je kon geld lenen, een zaak beginnen en van maatschappelijke positie veranderen. Je kon ook failliet gaan. Ineens vervaagden alle grenzen.

Tot zover het verre verleden van de middeleeuwen. Het is goed om tot slot van mijn uitstapje terug in de tijd luid en duidelijk vast te stellen dat er op carrière maken, sociaal stijgen, ooit een christelijk taboe rustte. Wie arm was en maatschappelijk inferieur, moest dat blijven. Wie rijk was en de baas, idem dito.

Terug naar Kiyosaki. De eerste editie van zijn boek verscheen in 1997. Ik heb het toen niet opgemerkt. Dat is niet zo gek: voor het door hem aan de orde gestelde had ik in 1997 niet de geringste belangstelling. Ik was opgeleid tot socioloog en bibliothecaris, en in geen van beide hoedanigheden had ik werk van enige betekenis gevonden. De carrière zat danig in het slop, mag je wel zeggen; en de inkomsten waren navenant laag, kan ik u verzekeren. Het kon me weinig schelen. Ik troostte me met de gedachte buiten de ratrace te blijven, die veel generatiegenoten in zijn greep hield.

Haarscherp staat me nog voor de geest hoe ik het jaar daarvoor een paar dagen op vakantie was in het Franse Metz. Van de stad zelf heb ik toen weinig gezien. De reistas bevatte namelijk het eerste deel van J.J. Voskuils roman fleuve Het Bureau, getiteld Meneer Beerta. Dat boek werd tevoorschijn gehaald. Ik was meteen verkocht. In het vervolg van die korte vakantie kon niets anders me meer bekoren.

Beeld: Alf van Beem [Public domain], from Wikimedia Commons.

Ik werd een Voskuil-fanaat. De zeven delen van Het Bureau werden een soort ‘bijbel’ voor mij.

De hoofdpersoon van Het Bureau, Maarten Koning, maakt carrière tegen wil en dank. Hij ziet er weinig in, maar zo gebeurt het nou eenmaal. Zijn salaris groeit mee. Dit zeer tot verdriet van zijn vrouw Nicolien, voor wie salarisverhogingen niet door de politieke beugel kunnen.

Ik heb mijn liefde voor Voskuil al eens geuit in een column voor De Telegraaf. Die column, die ik hier laat volgen, werd geschreven in juni 2008, toen er in het Nederlandse streekvervoer een chauffeursstaking woedde. (Misschien roept dit herinneringen wakker.)  

Het cao-seizoen is nog in volle gang. Forenzen en scholieren die zijn aangewezen op het streekvervoer kunnen daarvan meepraten. De chauffeursstaking is z’n derde week ingegaan.

Een landelijk dagblad sprak onlangs met Anja Jongbloed, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid voor FNV Bondgenoten. De vakbondsvrouw belichtte het lopende cao-seizoen: ‘Wat ik lastig vind gaan, is de loonvorming. We hebben een algemene looneis van 3,5 procent met nog extra zaken om de koopkracht op peil te houden. Je ziet veel tegenspel van werkgevers die vinden dat het te veel is, terwijl wij van werknemers horen dat het juist te weinig is. We hebben veel acties en bijna-acties nodig om cao’s voor elkaar te krijgen, in de metaal en techniek, de supermarkten, het streekvervoer. Vaklieden zeggen: die lui aan de top verrijken zich, nu zijn wij aan de beurt. Er is een grote druk om die 3,5 procent ook echt binnen te halen.’

‘Die lui aan de top verrijken zich’… de door Jongbloed aangehaalde vaklieden hebben natuurlijk een punt. Onderzoek van de Volkskrant wijst uit dat de gemiddelde megaverdiener aan de top in 2007 naar huis ging met 44 keer meer dan modaal, oftewel 1,3 miljoen euro. Bij deze inkomenscategorie ligt mijn sympathie niet. We hebben hier te maken met een patserdom van de inhaligste soort, dat zich koestert in de greep van een immorele grabbel-, graai- en snaaicultuur.

Borrelpraat, zult u zeggen. Inderdaad, ik mag deze ferme mening graag verkondigen aan de tapkast. Dat gebeurt dan in betogen waarin zelden een verwijzing ontbreekt naar mijn persoonlijke bijbel, Voskuils romancyclus Het Bureau.

Het is 1957 als de held van deze cyclus, Maarten Koning, bij het wetenschappelijk instituut Het Bureau gaat werken. Tegen een te laag salaris, hij wordt fout ingeschaald. Dit wordt uiteindelijk rechtgezet. Maarten krijgt salarisverhoging en spoedt zich naar huis om het z’n vrouw Nicolien te vertellen. Die is des duivels. ‘Dat accepteer je toch zeker niet?’ grauwt en snauwt ze. ‘We hebben toch genoeg? Wat moeten we er dan mee doen? Op de bank zetten soms? Zulke patsers zijn we toch niet geworden? Dat we ons geld op de bank gaan zetten? Ik wíl niet nog meer geld! En ik eis dat je het terug gaat brengen!’ Maarten sputtert tegen en Nicolien bindt ten slotte in. Maar voor het zover is, perst ze er nog een hoogtepunt uit: ‘Patser! Rotzak! Centjes, hè? Daar gaat het je om! Als je maar centjes hebt! Als je dat geld accepteert, ben je een patser! Breng het terug! Ga zeggen dat je het verdomt om zoveel te verdienen! Dat je vrouw eist dat je het terugbrengt!’

Ik verzeker u dat de loonsverhoging die voor de buschauffeurs in de maak is bij hún vrouwen voor meer enthousiasme gaat zorgen.

Nog wat meer Voskuil, ik lust daar nog steeds wel pap van. Een jongere roman van de schrijver is getiteld Requiem voor een vriend. Ik heb die in 2002 verschenen roman pas onlangs gelezen, na hem te zijn tegengekomen in een kringloopwinkel. Voor twee vijftig mocht ik mij de eigenaar noemen. Uit deze onverbloemd autobiografische roman, die ik relatief laat tot mij nam – waarom weet ik ook niet, een Voskuil-fanaat was ik, een Voskuil-fanaat ben ik gebleven – uit die roman dus blijkt eens te meer dat de heer en mevrouw Voskuil geen mensen waren van wie er dertien in een dozijn gaan. Het is in Requiem 1980 als Han Voskuil lid blijkt te zijn van een vereniging van middelbare en hogere ambtenaren die pleit voor een vrijwillige salarisverlaging teneinde dreigende massa-ontslagen te voorkomen. Zulke ambtenarenverenigingen waren ook destijds niet dik gezaaid.

Van 1980 bladeren we in Requiem terug naar het jaar 1974.  Ik neem u mee naar een kostelijke scène in het boek: twee jongens in spijkerpak zetten een VVD-echtpaar voor gek. Dit echtpaar, Jan Breugelman en zijn vrouw Elizabeth, is bevriend met de echtelieden Han en Lousje Voskuil. In discussies met de Voskuiltjes doen Jan en Elizabeth zich kennen als VVD-denkers pur sang. Keer op keer draaien ze de hele riedel af: Staatsbemoeienis is verderfelijk. Ontwikkelingshulp is weggegooid geld. Mensen bepalen zelf wat ze willen verdienen en uitgeven. Dat er veel geld gaat naar de collectieve sector, is onverdraaglijk. Van sociale voorzieningen wordt alleen maar misbruik gemaakt. De auto is een heilige koe. Voor het milieu hoeft de regering geen miljarden uit te trekken, want met het milieu komt het vanzelf wel goed.

Weerzinwekkend, vindt duurzaamheidsdenker Han. Zeer met het milieu begaan, bepleit hij een mentaliteitsverandering:

Zolang ons stelsel de mensen in staat stelt te pakken wat ze krijgen kunnen, zal het alleen maar erger worden.

Verandert die mentaliteit niet, dan gaat de wereld naar de bliksem.

Niveau van incompetentie

Beste mensen, het houdt niet over wat deze lezing het Geldmuseum oplevert (grapje!). Ik ben dus al toe aan de afronding. Ik confronteer u nog met twee uitspraken van bekende Nederlanders. De eerste uitspraak komt uit de koker van Arnold Heertje, de tweede uit die van Harry Mulisch.

Arnold Heertje, econoom, 2009. Beeld: Jos van Zetten from Amsterdam, the Netherlands [CC BY 2.0, GFDL or CC BY 3.0], via Wikimedia Commons.

Heertje zei nog niet zo lang geleden:

Uiteindelijk gaat het er helemaal niet om hoeveel de mensen verdienen, maar of zij hun werk leuk vinden en of zij een zekere mate van vrijheid hebben.

En Mulisch liet zich ooit ontvallen:

Ik heb nooit zin gehad om iets om geld te doen, en ik heb mijn hele leven uitsluitend gedaan waar ik zin in had; geld verdienen is tijd verknoeien.

Geachte toehoorders, laten we afspreken niet meer in de eerste plaats te gaan voor het grote geld. Voor we het weten lijden we een financieel worstelend leven in de ratrace en dringt zich de noodzaak op van een nog langere werkweek doordat we een nog grotere hypotheekschuld hebben om te kunnen wonen in een nog groter huis. We kunnen als ware carrièristen wel steeds omhoog willen, wat wil zeggen naar een steeds hoger niveau van competentie, maar onherroepelijk komt het moment dat we belanden op ons niveau van incompetentie. Daar wordt niemand vrolijk van, wijzelf niet, hoe gunstig de financiële beloning ook lijkt te zijn, en onze collega’s nog minder. Mensen moeten niet iets doen wat in de eerste plaats veel geld oplevert, maar voor alles iets wat zij goed kunnen. Anders worden ze dood- en doodongelukkig. En heel belangrijk is dat mensen zoveel vrijheid verwerven dat ze kunnen doen waar ze zin in hebben.

Zoals het opperhoofd van het rondbuikindiaantje Kleine Hiawatha altijd zei (het was ook zijn vader): ‘Mij hebben gesproken.’


De oorspronkelijke tekst en het beeldmateriaal van dit bericht werden medio december 2018 en medio februari 2019 herzien.

Een uitbreiding van de tekst betreft een passage uit de in 2010 geschreven column ‘Spijkerpakkenproletariaat’.