Een zondagmiddag op de Wadden

De saaiste dag van mijn leven was het zeker niet. De man vertelde me zijn levensverhaal. Hij nam daar de tijd voor; zes uur lang was hij schier onafgebroken aan het woord. De man had in de Tweede Wereldoorlog als Waffen-SS’er gevochten aan het oostfront in Noord-Polen. Het was zondagmiddag 20 november 1994. Buiten stond een krachtige zuidwester, binnen zaten een 67-jarige Waddenbewoner die spijt betuigde over zijn foute oorlogsverleden en een journalist die zijn cassetterecorder op opnemen had gezet.

In de uitgewerkte tekst van het interview, die een paar weken later verscheen in Historisch Nieuwsblad (jaargang 3, nummer 6, p. 24-27), voerde ik de man op onder het pseudoniem Arend Akkerman.

We praten in zijn huis op een van de Waddeneilanden. De naam van het eiland mag van hem niet in het artikel. Als ik het ter sprake breng, moet ik schrijven: ‘zijn Waddeneiland’. Op de foto wil hij evenmin en ik moet beloven hem onder pseudoniem aan het woord te laten. Ten slotte moet ik de naam van zijn geboorteplaats voor me houden. ‘Een stadje aan de Zuiderzee’, verder mag ik niet gaan.

De anonimiteit was mijn gesprekspartner dus heilig. Om wat voor reden dat ook was, in elk geval niet omdat hij ongestraft propaganda wilde kunnen maken voor de nationaal-socialistische doctrine. Met dat verleden had hij, zoals hij zei, al lang geleden radicaal gebroken.

Het weerzinwekkende van Hitlers denkbeelden, de afschuwelijkheid van de gevolgen ervan — het is een thema waarop Akkerman herhaaldelijk varieert. Soms, zegt hij, wordt hij wanhopig als hij erbij stilstaat. ‘Dan kan ik er maar niet over uit dat ik aan de kant heb gestaan van de onmensen die de Joden hebben vergast. Dat ik onderdeel ben geweest van die machinerie. Goed,  ik ben frontsoldaat geweest, geen bewaker in een vernietigingskamp. Ik heb geen Jood naar het leven gestaan. Maar dat is toeval. Het is nooit gebeurd, maar als ze me hadden bevolen Joden dood te schieten, dan had ik het gedaan. Zo fanatiek en overtuigd van het principe Befehl ist Befehl was ik wel. Verdomme, het schuldgevoel waarmee het je opzadelt. Ik kom daar van mijn leven niet van af.’

Dit alles ter inleiding van dit blogbericht, waarin ik parafraserender- en citerenderwijs mijn artikel plunder uit het 1994-decembernummer van Historisch Nieuwsblad. Zoals u hebt gemerkt, is dat plunderen al begonnen. Hieronder ga ik daar vrolijk mee door. Ik meen er goed aan te doen de anonimiteit van mijn respondent van krap vijfentwintig jaar geleden te bewaren. Tanden op elkaar, blogbezoeker, mijn verhaal wordt lang.

Broem, broem, broem

Het oorlogsverleden liet Arend Akkerman naar zijn zeggen zelden helemaal met rust.

Het knijpt je niet altijd de strot dicht, maar uit je gedachten is het vrijwel nooit. Soms gaan er maanden voorbij dat het draaglijk is, dat ik er redelijk tegenaan kan. Maar plotseling gebeurt het dan: ik lees iets, hoor een programma op de radio, of kijk naar een televisiedocumentaire. En dan komt het weer als een zwarte golf op mij af. Dan zit ik weer midden in de rotzooi. Mijn huisarts, die als een van de weinigen mijn verleden kent, moet me dan kalmeringsmiddelen voorschrijven.

Uitsnede pagina Historisch Nieuwsblad, december 1994.

Terwijl de cassetterecorder in zijn huis op het Waddeneiland zijn registrerende plicht deed, gaf Akkerman bij tijd en wijle blijk van zijn angst iets belangrijks te hebben overgeslagen.

‘Dat van die trein in november 1944,’ vraagt hij op zeker moment, ‘staat dat al op de band? Niet? Begin dit jaar zag ik het tafereel voor het eerst weer voor me. Krankzinnig dat zo’n beeld uit het verleden zich ineens aan je opdringt. November ’44 — verdomme, dat is nu precies vijftig jaar geleden, verdomme, verdomme, precies vijftig jaar!’

Even leek Akkerman het te kwaad te krijgen, maar hij herstelde zich, zoals hij zich steeds herstelde als de emoties hem de baas dreigden te worden. En hij vervolgde:

In november ’44 worden we per trein vervoerd van het Oostenrijkse Graz, waar we het laatste deel van onze opleiding hebben genoten, naar het oostfront. Ergens in Polen staan we een paar uur stil op een spoorwegemplacement, omdat er een bombardement heeft plaatsgevonden. Op dat emplacement staan drie treinen naast elkaar. Onze trein, met de troepen voor het oostfront, staat in het midden. Rechts van ons staat een trein met wrakken van kapotgeschoten vliegtuigen, die bestemd zijn voor de smelterijen in Duitsland. Van een van de wrakken is de cockpit nog intact. Ik ga aan de stuurknuppel zitten en doe of ik vlieg. Zo van: broem, broem, broem. (Jongen, ik was zeventien!) Maar er staat nog een trein op dat emplacement. Daarin zitten mensen die zich achter raampjes met prikkeldraad doodstil houden. Die trein wordt niet bewaakt. Tenminste, ongetwijfeld zijn er bewakers, maar ik zie ze niet. Ik zie alleen die mensen in die trein, die maar naar ons kijken en zwijgen. Een van ons zegt: joh, die lui hebben honger, en hij geeft ze door die raampjes stukken van dat zure Duitse brood dat wij voor onderweg hebben meegekregen. Dan wordt er bij de locomotief vandaan geschoten en horen wij onze commandant schreeuwen: Das ist ein Verbrechen.

Begin dit jaar kwam dit voorval me weer voor de geest. Ik haalde er kaarten en boeken bij. Volgens mij waren het Joden in die trein. Joden op weg naar een Pools vernietigingskamp. Joden die waarschijnlijk vermoord zijn.

Nationale Jeugdstorm

Na een paar uur praten kreeg de cassetterecorder even rust. Arend Akkerman bereidde een late lunch. Waarover spraken we tijdens het eten? Het typische novemberweer? Met de beste wil van de wereld kan ik het me niet herinneren.

Na de lunch vertelde Akkerman over zijn jeugd in zijn ‘stadje aan de Zuiderzee’.

Zijn vader was banketbakker en hield een lunchroom. In de jaren dertig werd hij lid van de NSB. Waarschijnlijk, zei Akkerman, speelden economische motieven een rol. ‘Het ging hem slecht in die crisisjaren, te meer omdat hij het moest hebben van de verkoop van luxeartikelen.’

Ze waren thuis met vijf kinderen. Arend had een oudere en een jongere broer en twee jongere zusjes. De oudste van de meisjes was in de oorlog de eerste in het gezin die zich aansloot bij de Nationale Jeugdstorm, de jongerenclub van de NSB. De twee jongste kinderen hadden toen nog geen weet van de politiek en Arends oudste broer en hijzelf waren op hun manier anti-Duits. Dat werd dus anders. Die broer heeft uiteindelijk het uniform van de Landstorm Nederland gedragen. Zelf ging Arend in de zomer van ’41 overstag:

De Duitsers waren net Rusland binnengevallen. Ik, veertienjarige mulo-leerling, had grote vakantie en logeerde bij een oom en tante in een Noord-Nederlands stadje. Daar werden overal affiches aangeplakt. Dat was een wervingsactie voor het Nederlandse vrijwilligerslegioen in Rusland. Ik wilde zo’n affiche van de muur scheuren. Maar een neef hield me tegen. Hij stak de loftrompet over de NSB, waarvan ook hij en mijn oom lid bleken te zijn. Als vanzelf kwam hij te spreken over Adolf Hitler. Die moest heel wat in zijn mars hebben. Anders had deze ex-kunstschilder het nooit tot heerser van Europa kunnen schoppen.

Arend Akkerman keek enorm tegen zijn neef op. Zijn verhaal zette hem aan het denken. Had die neef geen gelijk? Had hijzelf het tot dusver verkeerd gezien?

Bij alle twijfel dacht ik ook aan mijn vader, een man van wie ik vaak ongenadig op mijn lazer had gehad — hij sloeg zijn kinderen, en mij het meest — maar die ik respecteerde. Wat een kennis had hij niet! Als híj lid was van de NSB, dan kon het niet anders of er was een goede reden voor. Weer terug in mijn Zuiderzeestadje hoorde ik in een zaaltje Mussert spreken. Ik kon zijn taal wel waarderen. Dat eenvoudige, hè. Ik ben toen lid geworden van de Jeugdstorm. Iets anders speelde daarbij ook een rol. Ik had bij de padvinderij gezeten, was zeeverkenner geweest. Maar de padvinderij was van Engelse oorsprong en daarom door de Duitsers verboden. In de Jeugdstorm zag ik een alternatief.

Overtuigde nazi’s

En toen… en toen… en toen… Het spel was op de wagen.

Akkerman:

In de zomervakantie van ’42 nam ik, als veel NSB-kinderen, deel aan de Kinderlandverschickung. Dat was een uitvinding van Seys-Inquart. Die zei: ‘Na de Eerste Wereldoorlog kwamen de Oostenrijkse kinderen in Nederland op verhaal, en nu stellen we jullie in de gelegenheid om in Oostenrijk op te knappen.’ Alsof er toen iets op te knappen viel; iedereen had nog genoeg te eten. Ik belandde bij boeren in Thüringen, overtuigde nazi’s. In een stadje daar in de buurt bezocht ik in de weekenden propagandabijeenkomsten. Veel bruin gedoe en hakenkruisbanden.

Zomer ’42 was het Duitse offensief in Rusland een jaar gaande.

Akkerman:

’s Avonds zaten wij in Thüringen aan de radio gekluisterd. De successen van de Duitsers werden breed uitgemeten. Ze bleven maar winnen, en trokken op naar Stalingrad. Het was een en al glorie en halleluja. Ik liet me er door meeslepen, zwaaide ook met vlaggetjes. Maar aan de triomfen van de Duitsers kwam een eind. Begin februari ’43 moest het leger zich in de slag om Stalingrad gewonnen geven.

Ook de zomervakantie van ’43 bracht hij in Oostenrijk door.

Akkerman:

In Karinthië zat ik toen in een Wehrertüchtigungslager, een weersportkamp, zoals wij in Nederland zeiden. Voor de weersportkampen werd in de bladen die wij thuis lazen propaganda gemaakt. Jongens van mijn leeftijd konden daar aan sport doen. Ik wilde dat wel: ik was goed in sport. Nou, er werd in dat kamp wel aan sport gedaan, maar het was toch eerder een soort militaire training. We kregen schieten met geweren van klein kaliber.

Volgens mij vielen de Wehrertüchtigungslager officieel onder de SS. Onze instructeurs waren tenminste SS’ers, onderofficieren die aan het front verwondingen hadden opgelopen en afgekeurd waren.

Aan het eind van mijn verblijf drong de kampcommandant er bij mij op aan dienst te nemen bij de Waffen-SS. Dan kon ik op zijn minst te weten komen of ik goed gezond was.

Keuring

Hij wilde toen nog niet per se bij de Waffen-SS. Wel liet hij zich in de buurt van zijn Zuiderzeestadje keuren. Het ging hem om wat de Oostenrijkse kampcommandant had gezegd: of hij lichamelijk in orde was.

Ja dus, ik doorstond die keuring, die uiterst streng was. Ik moest iets ondertekenen en kon weer naar huis. Wat ze me lieten ondertekenen, moet een aanmeldingsformulier zijn geweest. Kort daarop kreeg ik een oproep. Schrok ik daar al van, mijn vader nog veel meer. Die is naar die lui toegegaan en heeft mij eruit weten te lullen. Maar intussen was ik er anders over gaan denken. Het succes van mijn vaders missie stelde mij teleur. Ik wilde nu met alle geweld meedoen aan het ‘Grote Gebeuren’, moest in actie komen, vond ik. Stalingrad was verloren gegaan en ik moest helpen verhinderen dat het bolsjewisme over onze grenzen kwam. Zo dacht ik toen, mede onder invloed van mijn vader. Had ik hem in een NSB-spreekbeurt niet horen zeggen dat we in de strijd tussen twee levensbeschouwingen aan de goede kant stonden?

Een stimulans was dat een oudere schoolkameraad van Akkerman zich al bij de Waffen-SS had aangesloten.

Hij zat bij de Viking-divisie, een onderdeel van Nederlanders en Skandinaviërs, die in de propaganda allerlei heldendaden kregen toegedicht. Hij had het ijzeren kruis en zat in die tijd thuis met gewondenverlof. Ik trok veel met hem op en vond het prachtig om met hem over straat te lopen. In de herfst van ’43 heb ik me toen, achter mijn vaders rug om, opnieuw bij de Waffen-SS gemeld. Dit keer was het prijs.

Oostfront

Even pas op de plaats — om te kunnen aangeven hoe ik me tijdens het interview opstelde. Zeer terughoudend, mag ik u verklappen. De rechtersstoel bleef die novembermiddag onbezet. Bij ons eerste telefonische contact had Akkerman gezegd het verhaal over zijn oorlogsverleden wel kwijt te willen, maar dan zonder de confrontatie met een interviewer die om de haverklap de rol van veroordelaar op zich zou nemen. Ik — razende reporter, Kuifje op de Wadden — was erop gebrand het verhaal uit hem te krijgen en liet hem zoveel mogelijk ongestoord zijn autobiografie vertellen, ervan overtuigd dat hij zou dichtklappen zodra hem het vuur na aan de schenen zou worden gelegd.

Uitsnede pagina Historisch Nieuwsblad, december 1994.

Na zijn aanmelding werd Akkerman langdurig militair getraind in Duitsland en Oostenrijk. November ’44 pas bereikte hij het oostfront in Noord-Polen.

Op zijn frontervaringen weigerde hij die novembermiddag diep in te gaan. Hij had weleens nachtmerries, zei hij. Dan was hij weer terug in Noord-Polen.

Vooral een militaire actie ergens in een dorp beleef ik steeds opnieuw. Bestookt door Russisch vuur moeten wij een straat oversteken. Dit kost de een na de ander het leven. Alleen mij niet.

Februari ’45 raakte Akkerman gewond. Hij belandde in de hospitalen en werd in West-Duitsland krijgsgevangen gemaakt door de Amerikanen. Toen werd het leven voor hem één grote vernedering. In de Amerikaanse kampen werden hij en zijn mede-Waffen-SS’ers steeds van de andere gevangenen, de Wehrmacht-soldaten, afgezonderd. Die Wehrmacht-soldaten waren in Amerikaanse ogen slechts frontstrijders geweest, dus betrekkelijk goed, terwijl ze in elke SS’er een ex-concentratiekampbewaker zagen. In een kamp aan de Rijn begonnen zelfs de Wehrmacht-soldaten op hen te schelden.

Akkerman:

Datzelfde kamp wordt op een gegeven moment overgedragen aan de Fransen. En wat doen die? Die slepen in de weekenden Duitse meiden mee de wachttorens op, bezatten zich aan de wijn, en vuren dan at random kogels op ons af. Prijsschieten.

Het werd er allemaal niet beter op toen hij in Frankrijk terechtkwam. Per trein werden hij en andere gevangenen naar een kamp in de buurt van Strasbourg getransporteerd. Tegen het eind van de reis stonden ze een paar uur stil op een spoorwegemplacement, waar Franse soldaten hen bekogelen met stenen. ’s Avonds bereikten ze het plaatsje waar het kamp was. Toen ze daar onder dwang doorheen marcheerden, gooiden burgers potten met pis over hen leeg.

Akkerman:

In het kamp zelf leden we honger. Ik meldde me toen aan bij de Société de Déminage om verdubbeling van mijn rantsoen te krijgen. Elke dag trok ik met anderen van die société de omgeving in, waar zwaar was gevochten en waar nog allerlei mijnen lagen. Die moesten worden opgeruimd, omdat de boeren hun land weer in gebruik wilden nemen. De Fransen lieten dit karwei opknappen door de krijgsgevangenen, en dan met name door de ex-Waffen-SS’ers. Het was bloedlink. Om de paar dagen vloog er wel iemand de lucht in. Op een middag hadden we zelfs drie doden. Ik had geluk, heb nog geen schrammetje opgelopen.

Akkerman zat nog in twee andere Franse kampen voordat hij eind ’45, dankzij de bemoeienissen van een Nederlandse luitenant, koers mocht zetten naar zijn geboorteland. ‘Onderweg met de trein,’ vertelde hij, ‘staan we een tijdje stil in Metz.’

Daar krijgt een groep Oostenrijkers ons in de gaten. Die zijn duidelijk op weg naar hun eigen Heimat, want ze hebben allemaal van die rood-wit-rode vlaggetjes op hun mutsen genaaid. En die beginnen me daar toch een partij op ons te schelden. Vuile nazi’s zus en vuile nazi’s zo. Nou, later is wel gebleken wie de grootste nazi’s zijn geweest. De Oostenrijkers!

Ex-frontsoldaat

Naarmate ik die novembermiddag langer naar Akkerman luisterde, werd mij meer en meer duidelijk wat hem dwarszat. Hij was nooit erkend als frontsoldaat, niet na de gevechten in Noord-Polen en ook later niet, terwijl ook hij zijn leven op het spel had gezet, zij het dan voor de verkeerde partij. Hij bleek zich voor te houden dat zijn misdaad niet méér had behelsd dan een misstap, een foute keuze, en dat zijn veroordelaars dit te weinig hadden gezien.

Zijn verhaal over de gebeurtenissen in een Duits krijgsgevangenenkamp in Franse handen bevestigen het beeld van een miskend frontsoldaat.

In dat kamp hadden we bijna niks meer. En wat we hadden, pakten de Fransen ons vaak nog af. Zo wordt op zekere dag een kameraad van mij door soldaten gedwongen een goed paar laarzen in te leveren. Maar er is toevallig een Franse officier in de buurt. Die ziet dat en die begint die soldaten met z’n officiersstokje links en rechts op hun bek te slaan. Dat vond ik een mooi staaltje. Voor die vent had ik respect. Het was nog zo’n echte beroepsman. Die soldaten moesten de laarzen teruggeven, en de officier verontschuldigde zich bij ons. We kregen echt het gevoel: hij ziet ons als frontsoldaten. Als verslagen vijanden weliswaar, maar ook als frontsoldaten. Hetzelfde gevoel gaf ons de Franse generaal voor wie we een tijdje later moesten aantreden. Met een paar hogere officieren liep hij langs ons heen, stram saluerend. Echt stijl vond ik dat.

Jeugdhuis

Maanden na de bevrijding zette Akkerman pas weer voet op vaderlandse bodem. Hij belandde uiteindelijk in een Fries jeugdkamp, waar hij begin ’47 werd berecht. Zijn straf — drie jaar met aftrek — zat hij uit in een jeugdhuis in Enschede; 8 april ’48 kwam hij vrij.

Wat toen aanbrak, kan moeilijk anders worden omschreven dan als een leven van twaalf ambachten en dertien ongelukken. In het begin werkte hij op verschillende plaatsen in Nederland, onder meer in de bouw en de horeca. Van tijd tot tijd overkwam het hem dat hij een baantje verloor wegens zijn foute verleden. Later zwierf hij op de bonnefooi door Europa. Toen dat niet langer financieel verantwoord was, ging hij varen. Op een van zijn reizen ontmoette hij een Engelse vrouw, met wie hij trouwde en in Engeland ging wonen, en met wie hij drie kinderen kreeg. Hij werkte in Engeland in de scheepsvaartwereld, maar niet steeds bij dezelfde baas. Zijn huwelijk strandde en door vrouw en kinderen verlaten trok hij in ’71 weer naar Nederland. Het was het leven van iemand die zijn plaats niet kon vinden.

Hij woonde nog in Engeland toen hij eind jaren zestig voor het eerst psychische hinder ondervond van het oorlogsverleden.

Ik kreeg nachtmerries. Het front in Noord-Polen kwam op me af. Tastbare beelden haast. Overdag kon ik me niet concentreren op mijn werk. Mijn huisarts stuurde me naar een psychiater, met wie ik open kaart speelde. Ik heb met hem één sessie beleefd. Verder contact bleef uit doordat ik in een echtscheidingsprocedure verwikkeld raakte.

Ook na zijn terugkeer in Nederland kwelde het oorlogsverleden Akkerman. In de jaren zeventig moest hij verschillende keren psychiatrische hulp inroepen. De sessie met één psychiater stond hem die novembermiddag nog levendig voor de geest.

Die zei: ‘U bent iemand die met zijn problemen naar professor Bastiaans moet in Leiden.’ Een assistent die erbij zat, tikte de psychiater toen meteen op zijn vingers: ‘Dat kan meneer Akkerman beter niet doen. Bij Bastiaans zitten allemaal mensen uit het verzet. Daar wordt hij gelyncht.’

Gisolf

In 1978 zocht Akkerman de publiciteit. Hij telefoneerde met Aart Gisolf, die in het Algemeen Dagblad een artikel had gepubliceerd over ex-verzetslieden. Veel van deze mensen, aldus Gisolf, zouden last krijgen van een oorlogssyndroom.

Ik vertelde Gisolf via de telefoon dat ik tot de mensen behoorde die fout zijn geweest in de oorlog. ‘Wij komen nooit aan het woord’, zei ik, ‘terwijl ook wij een verhaal hebben te vertellen. Straks zijn we allemaal dood zonder dat er iemand naar ons heeft geluisterd.’ Ik werkte toen als administrateur bij een sociale werkplaats in Vlaardingen. Ik was steeds vaker en steeds langer ziek. Ik slikte van alles, maar werd steeds beroerder. Ik had last van een hernia en zat daarnaast met dat oorlogsverleden, waarover ik verdomme met niemand kon praten.

Maar Gisolf bleek geïnteresseerd en kwam bij me langs om mijn verhaal op te nemen. Stukken daaruit verwerkten hij en Michiel Berkel in een artikel in de Haagse Post (6 mei 1978): ‘De straf die nooit ophoudt. Het oorlogssyndroom van de foute Nederlanders’. Op dat artikel kwam geen commentaar. Ik had van mensen willen horen dat ze ook voor ons begrip konden opbrengen en dat er ook voor ons iets moest worden gedaan. Maar wat volgde, was een absoluut stilzwijgen.

Herdenkingsgolf

Toen mijn laatste cassettebandje uit de voorraad op 20 november 1994 bijna was opgebruikt, vroeg ik Akkerman of hij niet opzag tegen de herdenkingsgolf die vanaf 5 mei ’95 ons land zou overspoelen.

‘Het wordt een heel gedonder’, geeft hij toe. ‘Maar ik weet wat er op mij afkomt, want het is al begonnen met die D-day-herdenkingen in juni ’94. Sommige tv-uitzendingen vond ik naar, maar sommige ook heel mooi. Zoals die reportage over koningin Elizabeth die in Arromanches de parade afnam van de oorlogsveteranen. Die liepen daar op dat strand, stram, de borst vooruit, en verdomme joh, dat was indrukwekkend. Nee, niet traumatiserend. Ik voelde, ik hoor daar bij. Ik ben ook veteraan. En aan welke kant je ook gevochten hebt, je hebt in dezelfde rotzooi gezeten. Dat smelt samen, ergens.’

Dit vertelde Arend Akkerman die zondagmiddag op de Wadden over de last van een fout verleden.


Lees het interview uit 1994 hier in zijn oorspronkelijke vorm.

Een aantal stukken van mijn hand uit Historisch Nieuwsblad bracht ik samen in een issuu-stack.