Geborgen

In de zandbak van mijn kleuterschool gold de heerschappij van de vuist. Cheirocratie, heet dat officieel. Ik bedoel maar, ik ben niet van de straat. Ik heb doorgeleerd, jazeker. Goed, die kleuterschool hield ik al na twee dagen voor gezien, maar de toekomst zou nieuwe kansen bieden.

Ruim zestig jaar later staan die kleuterschooldagen me nog levendig voor de geest. Op dag één vocht ik met Wietse Koopman. Inzet was de macht over de scherpe emmer. Dit behoeft toelichting. We schrijven het jaar 1955. De polder waarin mijn dorp lag, werd verkaveld. Draglines – wij hadden het over ‘happers’ – verzetten overal grote hoeveelheden grond. Die graafwerkzaamheden spraken zeer tot onze verbeelding. Urenlang speelden we draglinemachinist. Onze happers waren kleine emmers waaruit de bodem was verwijderd.

De zandbak die op mijn eerste kleuterschooldag tot strijdperk werd, was voorzien van twee van die speelgoedgravers. De ene emmer had een scherpe onderrand, de andere een stompe. Vraag me niet hoe dit verschil tussen de ‘scherpe’ en de ‘stompe’ emmer was ontstaan. (De ene emmer stomp gemaakt omdat men bang was dat de jeugdige machinisten zich zouden bezeren? Dit bij de andere uit nonchalance vergeten?) Hoe dan ook, met de scherpe emmer was het lekker happen, met de stompe ging het moeizaam.

Wietse Koopman kroonde zich meteen tot koning van de scherpe emmer. Hij stelde deze positie veilig met zijn mokers van vuisten. Wie ook maar een vinger naar de scherpe emmer uitstak, kon rekenen op een rechtse directe op de kin. Dat lot trof ook mij. Iets terugdoen wilde ik wel, zij het schoorvoetend, maar door Koopmans verdediging kon je niet heen dringen.

We schrijven het jaar 1955. De polder waarin mijn dorp lag, werd verkaveld. Draglines – wij hadden het over ‘happers’ – verzetten overal grote hoeveelheden grond. Het jongetje rechts ben ik. Naast me een buurmeisje. (Foto collectie GerardNBorst)

Thuisgekomen met een bloedkorstje op mijn onderlip kreeg ik mijn vaders hoon over me heen: ‘Morgen sla jij in die zandbak die Koopman op zijn bek, hoor je!’

De vergelding bleef uit. Dag twee was regenachtig, de zandbak verboden gebied. Wel voltrok zich een nieuwe ramp. Ter voltooiing van een door mij getekend vogelverschrikkerslijf moest ik uit geel plakpapier een rond hoofd knippen. Al mijn pogingen waren vergeefs.

Met geen honderdduizend paarden kregen ze me daarna nog naar die kleuterschool.

Ik bezeerde me op het toneel van mijn machteloosheid en onvermogen. De emancipatiepijn schrijnde. En ik wist maar één remedie: terug naar de oude geborgenheid.

Twee jaar later geviel het dat ik voor het eerst naar de lagere school moest. Daartegen zag ik op als een wielrenner zonder klimcapaciteiten tegen de Mont Ventoux. Mijn moeder, tevergeefs proberend te sussen wat te sussen viel, sleepte een gierend en brullend jongetje mee naar de dorpsschool. Speelden mijn kleuterschoolervaringen me parten? Was ik bang weer een rond hoofd te moeten knippen voor een gebrekkig getekend vogelverschrikkerslijf? Zou kunnen. Maar in later met vaart en verve vertelde familieverhalen had mijn moeder een andere verklaring: ‘Jij wilde die eerste dag niet naar de lagere school omdat je bang was dat je moest voetballen tegen grote jongens.’

Moeder Dieuwertje eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Zij sleepte een gierend en brullend jongetje mee naar de dorpsschool. (Foto collectie GerardNBorst)

Die eerste schooldag verliep trouwens naar genoegen. Ook later had ik met de lagere school nauwelijks problemen; zes jaar lang bezocht ik die met plezier.

En met mijn voetbalangst kwam het ook goed. In de vierde klas – schooljaar 1960-’61 – was ik er zelfs van overtuigd dat ik later beroepsvoetballer zou worden. Een geheim maakte ik er niet van; de hele wereld mocht het weten; ook de schoolarts door wie ik me dat schooljaar in het bijzijn van mijn moeder moest laten onderzoeken, werd op de hoogte gebracht. Meewarig schudde hij het hoofd. Het frappante is, achteraf bezien, dat hij mijn moeder en mij niet zozeer wees op het onmogelijke van mijn droom als wel op het gevaar dat mijn lichaam bij zo’n carrière zou lopen. ‘Die beroepsvoetballers, praat me d’r niet van’, zei hij. ‘Allemaal zijn ze voor hun dertigste totaal versleten.’

Mijn voetbaldroom leefde ik uit met mijn vriendjes. We voetbalden op het veldje bij de school. Maar het gebeurde ook dat we, na schooltijd, verkasten naar het schoolplein. Daar verbrijzelde ik dat schooljaar 1960-’61 met een formidabel maar verdwalend schot het ruitje van de school-wc. Meteen biechtte ik het op aan de hoofdonderwijzer, die vlakbij woonde. ‘Geen zorgen’, reageerde hij. ‘Je ouders zullen wel verzekerd zijn. Maar één ding: ik heb liever niet dat jullie voetballen op het schoolplein. Je ziet wat ervan komt.’

Kermisfoto begin jaren zestig. Een jeugdvriendje (rechts) en ik kijken tegen de zon in. (Collectie GerardNBorst)

Kennelijk vreesde ik mijn moeders toorn meer dan die van de hoofdonderwijzer. Want thuisgekomen durfde ik het haar niet te vertellen. Rillerig vluchtte ik naar mijn kamertje en zocht de geborgenheid op van het holletje onder de dekens op mijn bed. Mijn moeder begon me na een uurtje te missen. Toen ze me na een kleine speurtocht vond, kwam het verhaal van het kapotte ruitje er met horten en stoten uit. Haar reactie: ‘Gut, m’n jongen, maar natuurlijk zijn we tegen zoiets verzekerd.’

Kwaad was ze helemaal niet, ze had het enorm met me te doen, en troostte me zoals alleen een moeder kan doen.


Voor dit bericht assembleerde ik oude onderdelen. Lees: ‘En nu jij, beste psycholoog’ en ‘Reünisten in de Schagerwaard’.