Net zo groot als Zola

Al sinds 2002 ben ik van plan een biografie te schrijven van de literator Israël Querido (1872-1932). Door allerlei omstandigheden (werk, de drang om vluchtwegen te bewandelen) ben ik daarmee niet voorbij de oriëntatiefase gekomen. Maar kijk aan, nu, ruim een jaar na mijn pensionering, ga ik er echt mee aan de slag. Om u op te warmen, publiceerde ik in de najaarsaflevering van Tijdschrift voor Biografie de column ‘De flapperdas van kappers’, die er geen misverstand over laat bestaan dat deze literator een hoge dunk had van zichzelf.

Veelzeggend fragment uit mijn column:

De literator Israël Querido (1872-1932) betoonde zich op zijn terrein een veelzijdig man. Hij was dichter, essayist, literair criticus en biograaf. Maar furore maakte hij met name als romancier. In die hoedanigheid debuteerde hij half september 1901 met Levensgang. Deze roman besloeg twee dikke delen, die boordevol zaten met hartstochtelijk proza over de opkomst van het socialisme in de rauwe, primitieve wereld van de diamantbewerkers – ‘de diamantzwoegersʼ, zoals een tijdgenoot zei – in Amsterdam.

Titelpagina eerste deel Levensgang (1ste druk 1901). Aanschaf roman januari 2003: 25 euro. (Foto collectie GerardNBorst)

Querido kreeg jubelende kritieken voor zijn eersteling. In het feestkoor mengde zich bijvoorbeeld de stem van Frans Netscher, Haags literator van naam en faam. ‘Querido,’ schreef hij, ‘heeft gepoogd iets groots, iets buitengewoons te geven. En dat is: zijn exuberante, gepassioneerde natuur. Het woelt, bruist, kookt, gist en dondert in hem. Van alles en van alles tegelijk zoekt uiting in hem.’ Het resultaat, aldus Netscher, is ‘een der meest bewonderenswaardige werken, welke onze Hollandsche letterkundige kunst in de laatste jaren heeft voortgebracht’. Netscher zong zijn vreugde uit in het door hem geredigeerde maandschrift De Hollandsche Revue. Jaren later publiceerde hij in dit blad een karakterschets van Querido. De tijd van diens debuut stond hem toen nog helder voor de geest. Levensgang, noteerde hij, ‘sloeg onmiddellijk en geweldig inʼ. Het boek was in allerlei kringen the topic of the day.

Half oktober 1903 verscheen Queridoʼs tweede roman, Menschenwee. Ook deze roman besloeg twee weldoorvoede delen en opnieuw had de auteur zijn gepassioneerde natuur laten spreken. Het boek ging over het door goorheid en gebrek geteisterde, drankovergoten bestaan van tuinders en landarbeiders – ‘zwoegers van het landʼ – in de omgeving van Beverwijk.

Titelpagina Menschenwee (2de druk 1907). Aanschaf roman februari 2003: 8,50 euro. (Foto collectie GerardNBorst)

De reacties waren nog enthousiaster dan bij Levensgang. In Groot Nederland, het letterkundig tijdschrift van Cyriel Buysse, Louis Couperus en Willem van Nouhuys, heette het dat wat geen van de Tachtigers had gekund, nu aan Querido was gelukt. Deze lofprijzing werd verwoord door Van Nouhuys. Even lovend was diezelfde Van Nouhuys als literair criticus voor het progressief-liberale dagblad Het Vaderland (het was deze krant die vijftien jaar tevoren Couperusʼ Eline Vere had gebracht als feuilleton): ‘Wie na Levensgang nog niet ten volle overtuigd mocht zijn, dat in Querido een schrijver was opgestaan van groote gaven, kan thans in zijn nieuwen roman, Menschenwee, een bewijs vinden, afdoende voor ieder, die niet verblind of bevooroordeeld is.ʼ

Ook Querido zelf was – zacht gezegd – te spreken over deze romans, die qua onderwerp trouwens strookten met zijn politieke overtuiging (sinds 1897 was hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij). De ware kunstenaar gaf volgens hem ‘het eeuwig blijvende’, ‘het hoogste’, en Levensgang en Menschenwee kwamen, zonder volmaakt te zijn, dicht in de buurt. Deze zelf-felicitatie veroorloofde de schrijver zich tegenover Telegraaf-verslaggever Elias d’Oliveira, die hem eind 1907 sprak voor de krant. De geïnterviewde viel niet op door bescheidenheid. Émile Zola? Dat was een groot schrijver, jazeker. Maar hemzelf moest je ook niet uitvlakken. Hij, Israël Querido, kon makkelijk net zo groot worden.

Uit het Telegraaf-interview steeg de geur op van eigen roem, al moest de schrijver toegeven dat hij niet uitsluitend dank verschuldigd was aan zichzelf. Zo kwam zijn echtgenote wel enige eer toe, ‘een buitengewoon artistieke persoonlijkheid’, die hem zijn kunstenaarschap bewust had gemaakt. Querido: ‘Zij heeft onmiddellijk gezien […] mijn zeer grootse en oorspronkelijke levensopvatting. En op háár aandringen ben ik gaan schrijven.’ De echtgenote in kwestie heette Janet Sjouerman. Zijn ontmoeting met deze vrouw, dochter van een rijke joodse diamantindustrieel uit Amsterdam, is dé wending in Queridoʼs bestaan geweest.


De column ‘De flapperdas van kappers’ staat online. Lees hem hier.


In de lange oriëntatiefase publiceerde ik ‘kleine stukken en brokken’ over Querido.